MIJN JAREN EN ERVARINGEN
BIJ DE A.K.U. EDE
(1934 -1957)
Door: WIEBE SLAGER.

Na beëindiging van mijn MULO
schooljaren in Nijmegen ging ik op zoek voor werk en in het plaatselijk
dagblad had ik gezien dat bij de DRYA een kunstzijde fabriek aldaar een
vacature was voor een jongste bediende. De volgende dag melde ik me bij de
personeelsafdeling en na invulling van een formulier kreeg ik een interview
en stelde men mij een aantal vragen, zoals waar het kantoor van de Raad van
Arbeid was. Komende pas van school en een jaar of zestien oud waren Raden
van Arbeid en Rentekaarten volkomen nieuw voor mij en het was dan ook geen
verrassing, dat ik een paar dagen daarna een briefje kreeg dat ik niet
succesvol was geweest.
Door omstandigheden werd ik grootgebracht bij pleegouders en een zoon van
hen Hendrik Greven, was werkzaam bij de A.K.U. Kunstzijde Fabriek te Ede als
een voorman in de Spinnerij. In maart 1934 kwam ik bij de A.K.U. door
bemiddeling van hem en was dus erg gelukkig, want we zaten nog steeds in de
jaren van de depressie, die waren begonnen in 1929 tengevolge van de
ineenstorting van de New Yorkse effecten Beurs en er ging haast geen week
voorbij, dat vele werknemers ook van de A.K.U hun ontslag kregen. Gedurende
die jaren bouwde men een nieuwe grote Kunstzijde Fabriek de NYMA aan de
Muntweg te Nijmegen, maar die werd nooit in gebruik genomen vanwege de
economische omstandigheden en herinner mij dan ook dat het gehele gebouw
werd overgenomen door de Robinson schoenenfabriek.

Ik werd dus aangenomen als een monsterjongen in de toenmalige Bleekerij waar
Dhr. Pielage ondermeester was en voorman was dhr. Navest. Er waren twee 1e
lieden en wel de Hollander en Valkenburg, de laatste werd in latere jaren
meester in de Twijnerij. Mijn taak bestond uit om op verschillende tijden
monsters van de Bleekerij en de Aanzuurputten, waar een zekere Klein uit
Arnhem werkzaam was naar het Chemisch Laboratorium te brengen voor
onderzoek. Dit baantje van monsterjongen duurde gelukkig niet erg lang voor
mij, maar voor hetzelfde geld zou het ook minder goed hebben kunnen
afgelopen. Op een zekere dag na de monsters te hebben gekregen was ik op weg
naar het Laboratorium toen ik kwam te vallen over de bovengrondse rails, die
overal in het hele bedrijf lagen en dienden voor het transport. Tot mijn
ongeluk wat later mijn geluk zou zijn, zag de toenmalige directeur dhr
Rathgeber dit voorvalletje gebeuren. Terwijl ik nog bezig was de brokstukken
bij elkaar te zoeken stond hij al bij me en begon mij uit te horen. Dit was
niet zo eenvoudig de directeur was een Duitser en het gesprek ging in half
Duits en gebrekkig Nederlands en ik verstond er dan ook geen snars van
alhoewel wel wat van de Duitse taal kennende van mijn MULO jaren. Maar dat
zullen we maar toeschrijven aan de zenuwen, gelukkig kreeg ik onverwachte
hulp van dhr. Lanjouw, die chef van het Laboratorium was en juist passeerde
en terwijl zij nog stonden te praten droop ik maar stilletjes af. Bij mijn
terugkomst kreeg ik nog flink op mijn duvel en dus maar weer met nieuwe
monsters naar het Laboratorium. Ik kreeg het idee dat dit voorvalletje voor
mij nog al mee viel en met een sisser was afgelopen, maar een paar dagen
later vertelde dhr. Pielage dat ik op het kantoor moest komen bij dhr van
der Kolk, Hoofd van de Loonafdeling en Personeelszaken en kreeg toen de
schrik te pakken. Hij deelde mij mede dat door toedoen van Dhr Rathgeber ik
het baantje zou krijgen van jongste bediende en wat een verademing dit voor
mij was. Geen vuile overalls en smerige handen meer van al het poetsen wat
ik moest doen, maar netjes aangekleed iedere dag naar het kantoor gaan. Het
kan veranderen zei Brederode in het verre verleden altijd en het was zeker
van toepassing voor mij.
Mijn kennismaking met Dhr Rathgeber was dus goed verlopen en het veranderde
mijn hele toekomst bij de A.K.U. maar velen zullen zeggen dat was alleen
maar mazzel. Dhr. Rathgeber was voordien waarschijnlijk werkzaam bij het
Duitse concern van de Vereinigte Glanzstoff Fabriken A.G. en fuseerde in
1929 met de ENKA. Het gevolg van deze fusie was dat hij een benoeming tot
directeur kreeg van de fabriek te Ede, en zij vertelden mij later dat hij
gedurende de 1e wereldoorlog diende in de Duitse Marine en daarin het bevel
voerde over een duikboot. Blijkbaar zat het commanderen nog steeds in zijn
bloed, want iedereen kreeg de schrik in zijn benen als hij ze aansprak en
als ze hem zagen aankomen op zijn dagelijkse rondes, liepen ze met een
boogje om hem heen. Verder als iemand op het matje moest komen werd er geen
verschil gemaakt tussen een meester of een gewone werkman De genoemde
persoon moest dan altijd plaats nemen in de conferentie kamer en dan begon
het gesprek, hetwelk spoedig uitdraaide op een bulderende toon in half Duits
en gebrekkig Nederlands en het slachtoffer kreeg bijna geen tijd om zich te
verweren. Na zo'n ontmoeting was de persoon in kwestie er wel naar aan toe
en had zeker een dag nodig om bij te komen. De directeur woonde in een grote
witte villa op de hoek van de Stationsweg en de Berkenlaan en werd iedere
morgen naar zijn werk gebracht door zijn dochter in een grote zwarte
limousine.
Voordat ik verder ga met dit verhaal wil ik je nog wat vertellen over de
tijd toen ik nog niet werkzaam was bij deze firma en nog in Nijmegen woonde.
Zoals ik reeds eerder vertelde werd ik groot gebracht bij de ouders van
Hendrik Greven, die in Ede aan de Parkweg woonde en reeds enkele jaren bij
de A.K.U werkte. Gedurende de schoolvakanties die ik in dit gezin doorbracht
werd mijn aandacht steeds getrokken wanneer om vijf in de namiddag de
werkers in de dagdienst naar huis gingen. Dit was altijd een imposant
gezicht om die duizenden op hun fietsen de Noorder Parallel Weg (nu de
Dr.Hartogsweg) af te zien komen en bij het Stationsplein zich in drieën
splitsten en een gedeelte linksaf sloeg, richting Bennekom en Wageningen en
rechtdoor naar de Woningbouw en Veenendaal en rechtsaf naar Ede Dorp en
Lunteren. Verder vertrokken op hetzelfde moment wel meer dan vijftig
autobussen allemaal in de ENKA kleuren blauw, die al de meisjes die daar
werkten naar huis brachten en dat waren er toen heel wat. Zij kwamen overal
vandaan zoals de Veluwe, de Betuwe, het land van Maas en Waal, de provincie
Utrecht en zelfs uit de plaats Groesbeek, daarnaast ging er zelfs een trein
naar Arnhem en Nijmegen. Ook was er in het Oranje-Park een Groot Hotel, waar
heel veel meisjes uit Rotterdam tegen een kleine vergoeding in de kost waren
en verscheidene van hen trouwden later dan ook met Edenaren. Op het
Stationsplein stond in die tijd dan ook politie om het enorme verkeer te
regelen en een half uur later was alles weer rustig en de volgende dag
herhaalde zich dit gebeuren. Als ik bij de Grevens in Ede logeerde die een
woning toegewezen hadden van de Woning Bouw Vereniging "Vooruit" en woonden
aan de Parkweg, dan ging ik de buurt wel eens verkennen en wat mij toen
opviel dat er zeker wel een kwart van al de huizen leegstonden en voor de
ramen waren groene planken aangebracht voor bescherming van de ruiten. Al
met al maar een trieste vertoning en blijkbaar was er toen in die tijd ook
al weinig respect voor eigendommen van anderen. Dit was natuurlijk het
gevolg van de depressiejaren die in 1929 waren begonnen als een gevolg van
de ineenstorting van de New Yorkse Effecten Beurs en de AKU kwam daar ook
niet heelhuids van af. Het gevolg was dat honderden werknemers hun ontslag
kregen en heel veel woningen van de Woning Bouw Vereniging leeg kwamen te
staan omdat de mensen meestal weer terugkeerden waar zij oorspronkelijk
vandaan kwamen.
Bij het begin van het jaar 1900 was Ede maar een klein dorpje, maar toen de
militaire garnizoenen daar in 1903 en de ENKA in 1922 daar kwamen werd Ede,
zo op eens een plaats van betekenis. Laat ik nu maar weer teruggaan naar het
moment dat ik het baantje van jongste bediende kreeg in 1934 en deed dit tot
eind 1937, toen ik mijn militaire dienst moest vervullen. Deze jaren behoren
dan ook tot de gelukkigste tijd voor mij die ik doorbracht bij de AKU. Ik
was reeds in de kost bij de familie Greven,die aan de Parkweg woonden en als
je dan weet dat mijn weekloon 2,50 gulden was, begrijp je wel dat ik daarvan
de bloemetjes niet buiten kon zetten al was in die tijd een pakje tabak en
vloeitjes maar elf centen, maar we kwamen er wel doorheen. In die tijd
woonden mij pleegouders nog steeds in Hees bij Nijmegen en zij besloten om
ook maar naar Ede te verhuizen en waren dus dichter bij hun zoon en zijn
familie. problemen om daar een huis te krijgen waren er niet, want er
stonden er heel wat leeg in de Woning Bouw Vereniging, zij kregen dan ook
een woning toegewezen in de Zijdelaan. Mijn taak was om viermaal per dag al
de kantoren en bedrijfskantoren af te gaan om de ingaande en uitgaan de post
te verzorgen voor het kantoor personeel, bedrijfs ingenieurs en meesters.
Verder voor de cassière mej. van den Brink, rekeningen betalen voor
leveringen gedaan aan de AKU. en als er nog tijd overbleef, dan deed ik wat
karweitjes op de Loon- en Personeel Afdeling. Ik kreeg een paar dagen om in
te werken van v. Eck, die overgeplaatst werd naar de Magazijn-Boekhouding en
toen was ik alleen. In het begin was het wel wat moeilijk, want ik had geen
flauw idee hoe groot die fabriek wel was en dan proberen al die namen te
onthouden en waar zij werkzaam waren. Ik had een ding mee, dat mijn geheugen
mij niet vaak in de steek liet want op de MULO waren mijn cijfers 8 en 9
voor geschiedenis en aardrijkskunde.
Rekeningen betalen voor mej. van den Brink, werd een kleine bijverdienste
voor mij en de meeste leveranciers gaven mij dan een fooitje en dit kwam
goed van pas. Ook moest ik iedere week al de loonzakjes maken op een
adresseermachine voor al het personeel. Verder lijkt het mij wenselijk om u
mee te nemen op een van mijn rondes door het bedrijf om kennis te maken met
al die mensen die toen daar werkzaam waren en ze aan de vergetelheid te
ontrukken en je kunt misschien zeggen ja die kende ik!
Wel ik heb mijn grote brieven bestellerstas omgedaan en beginnen eerst bij
de Loonafdeling en personeelsafdeling:
Personeelsafdeling 1953
Chef was dhr van der Kolk, dan de Lange Bos, mej. Gerritsen,dhr. Batterman,
Tap, van Glabbeek , v. Otterlo, Snelders, Bok en Hansman (de laatste Henk
Hansman is een grote steun voor mij geweest en hielp mij met alles. Hij was
de zoon van een bekende Bakker te Ede en werd later administrateur van het
ziekenfonds "Helpt Elkaar" te Ede) en als laatste Teunisssen (grote Teun)

De loonafdeling in 1950
Telkamer: de heer Vos uit Bennekom en mej. van Leusden.

De telkamer in 1948
Op de hoek van het kantoren gebouw: Directeur Rathgeber en zijn secretaresse
mej. Licht en later werden dit Ir.Nolet en mej. Nauta.
Daarnaast: dhr. Ham, hij was chef Personeelszaken en zijn dochter Margot en
Teunissen (kleine Teun), laatste was de boekhouder van de Reehorst. In
latere jaren waren de hierna volgende personen ook chef over Personeels
Zaken en wel dhr. van der Kolk; Hali (hij was voordien Directeur van het
plaatselijk ArbeidsBureau) Meilink en Neervoort.
Vandaar naar het kleine magazijntje voor kantoorbehoeften waar Rippe de
scepter zwaaide en altijd overhoop lag met iedereen.
Magazijn Boekhouding: Chef dhr Borst; mej. de Jonge; dhr. Hengel uit
Wolfheze; Driessen; van Eck en Boch (de echtgenote van Bosch was het hoofd
van een instituut in Ede, waar ik lessen kreeg in Steno; typen en
Boekhouden) en dhr den Hartog.
Boekhouding: chef dhr van den Brink (uit Ede); Caissiere Mej. van den Brink
uit Arnhem; mej. de Lange; Mej. Hausold en mej. Jonge, de laatste was een
dochter van Meester de Jonge.
Telefoniste was mej. Leni Buel.
Portiers: Hoofdportier Krebbers en de portiers van Beek; Brouwers; Koopmans;
v.d.Pol (laatstgenoemde was later werkzaam in de Verbandkamer) en
Arnoldussen

Portiersgroep van 1957
Op de hoek van de Conerij het kantoortje van Fijlstra (hij was de
Hoofdmeester van de Bouw-Afdelingen) waar voorts nog werkten dhr. Backeland;
de Gijt (de laatste was een zoon van voorman de Gijt in de timmerwerkplaats)
en dhr Loos en Ferwerda.
Het oude schaftlokaal was het domein van voorman Ronk.
Binnenplaats op de hoek de oude Verbandkamer van Dr. Heimans met zuster
Thuree en verbandmeester Burgers.
Daarnaast de expeditie van Dhr. Foeke en Mej. de Jongh.
Dan krijgen we het magazijn van Dhr. Moehn. Verder waren daar nog werkzaam
Akkerman en Leijenaar.
Het Chemisch bedrijf onder leiding van Mr. Pielage en tijdschrijver Willi
Zittersteijn. De laatste was een heel bekende voetballer en speelde voor de
v.v. Wageningen. Verder de voorlieden Siep en van Velzen.
Het Chemisch Laboratorium, Chef was Dhr Lanjouw, verder Mej. Bender en in
een apart kantoor zaten nog Dr. Kalf en Dr. van Dobbenburgh (de laatste
vertrok naar de American ENKA) Later kwamen daar nog Ir. van den Broek;
Dr.Weeldenburg en Dr. Dijksman Verder waren daar ook nog Dhr. van Gijzen en
Dhr.Berthel en mej.Mol. Laboranten waren: Mej. Noorman en dhr. Laarman en
Lekkerkerk en voorts nog twee assistenten dhr.Heintzberger en Stahl, beide
kwamen uit Wageningen.
Van het Laboratorium gaan we naar de kantoren boven de Centrale en de eerste
is dhr..Nederhand het hoofd van de Centrale, ook werkzaam waren daar de
machinisten Emaus ; Althaus en Bakker. Later werd dhr Veldkamp chef van de
Elektrische Centrale.
Tekenkamer: Boneschankster en Onck kwamen uit Arnhem. Later Dhr Mes; Buijen
van Weelden en Tinus
Hekelaar uit Amsterdam.De laatste was de doelverdediger van de v.v.
D.W.S.dat was in de tijd dat Caldenhoven voor het Nederlandse elftal
speelde.
Kantoor van de technische Afdelingen: Ir. Hermans en steno-typist Gerrit
Terbrugge (zijn vader was een bankwerker)
Daarnaast het kantoor van Ir. Gelber; Ir. Levison en Ir. Tesselhoff en Mej.
Verseijde en later Mej.Kaufman.
Dan krijgen we de afdeling van Ir.Wachter en Ir. Ziegler.
Voorts de programma afdeling waar werkzaam waren: Dhr.Hendriks; de Wit en
Hardenbol.
De Bedaux-Afdeling: Chef was Dhr.de Harder en de heren Bolraap; Koeleman
(hij vertrok naar de HKI in Breda) van der Werf en Vos (de laatste twee
waren goede voetballers en speelden jaren bij v.v. Wageningen
Dan nog een klein kantoortje waar Dhr Bruinier en Stoltenhof zaten. De 1e
was betrokken bij de Spoelenlakkerij en Stoltenhof bij het textielbedrijf.
De calculatie-Afdeling, waar dhr Munsterman chef was en de typiste Mej.
Boekestijn.
Wij laten nu de kantoren achter ons en beginnen met de Bankwerkerij,
Hoofdmeester was Fellinger en meesters Onderstal; Keern en Frutel en
Tijdschrijver Jan Smit en verder het gereedschappen magazijn met Korenbrits
en Wiegeraadt. (de laatste werd later wethouder van de gemeente Ede, voor de
C.H.U.)
Elektriciens Werkplaats met als Hoofdmeester van Mierlo, Wijnsouw was
meester en de voorlieden Neve en Roelofsen en Jaap Groeneveld als
tijdschrijver. Timmerwerkplaats: de Gijt was daar voorman en tijdschrijver
was Veenhuis.
Schilderswerkplaats: daar was Butselaar de Voorman.
Metselaars: Voorman van de Hurk
Buitenploeg: dhr. Wolf was daar meester.
Spoelenlakkerij: Voorman was daar dhr van Schaik.
Spinnerij: met als hoofdmeester Widra (later mr. Gerritsen van de Doppen
Afdeling); Meesters dhr. Boonstra; van den Bovenkamp en van Setten. In de
Zuurkelder waren nog de voorlieden Muller en van Druten (de laatste werd in
1939 mijn schoonvader) Tijdschrijver was dhr Weijman.
De Doppen Afdeling en Naaikamer daar was Mr. Gerritsen der baas.
Instrumentmakerij en de glasblazers was dhr. van Loon de chef.
Nu naar de Wasserij het domein van Hoofdmeester Merlijn, met als meester van
de Hoop.
Vandaar naar de Twijnerij waar Hoofdmeester Slijkhuis het bevel voerde en
een meester Valkenburg, die vroeger 1e man was in de Bleekerij.
Administratie meisjes waren mej. Brunekreeft en Leijenaar.
Spoelenafstroperij: Voorman Maijen.
Conerij: Daar was dhr. Nijhoff de baas met als meesters Hammink en Wernink
en administratie meisjes Nieholt en Haverkamp
Haspelkamer: Meester Witkop, Hoofd-Opzichteres mej. van Schiebergen en de
Opzichteressen Spaan en Koperberg, administratie meisje was Mej. Bos.
Textiel-Laboratorium: Mr. Rohn was daar de baas en Opzichteres was Jans
Boersma en administratie meisjes waren van der Windt, van Galen en Jans van
Druten (met de laatste trouwde ik op 28 augustus 1939) en later Peters.
Strengensortering: Hoofdmeester was Dhr. de Vries en Hoofd Opzichteres was
Mej. Gerritsen.
De Garage: Dhr de Goede was daar chef en dhr Thuis deed de administratie.
Later werd dhr van de Vegt chef van de Garage.
Wel dat is het na een flinke wandeling door het bedrijf en u hebben laten
kennismaken met de vele medewerkers uit die tijd en er zullen er dan ook wel
wat vergeten zijn, maar dat moet u mij maar niet kwalijk nemen, want het is
nu meer dan 65 jaar geleden dat ik die dagelijkse rondjes deed. Verder
vermoed ik dat zeker 99 % van hen inmiddels is overleden. Maar onder de oud
medewerkers zullen er nog vele zijn die wel wat van hen kenden.
Voordat ik in dienst moest in oktober 1937 had ik al een een meisje en haar
naam was Jannetje (Jans) van Druten en haar vader was een voorman in de
Zuurkelder. Zij werkte als een administratie-meisje op het kantoor van het
Textiel Laboratorium (monsterafdeling) , waarvan dhr. Rohn chef was. Het was
niet zo'n leuke onderbreking om zes maanden door te brengen in Utrecht bij
het Korps van de Genie, en Jans niet meer dagelijks te zien en dit werd nu
eenmaal in de veertien dagen wanneer ik dus verlof kreeg, maar kwamen daar
ook uiteindelijk overheen.
Toen aan mijn diensttijd in Utrecht een einde was gekomen in maart 1938,
melde ik mij weer bij de A.K.U en kreeg toen het baantje van tijdschrijver
in de bankwerkerij, waar dhr. Fellinger de chef was en Jan Smit daar reeds
als een tijdschrijver werkzaam was. Daar heb ik gewerkt voor een jaar toen
ik van Gerrit Terbrugge vernam dat hij een baan zou krijgen bij de gemeente
Ede. Gerrit die werkzaam was als steno-typist bij de technische Ing. van
alle werkplaatsen dhr. Hermans vertelde mij dit persoonlijk. Ik vroeg een
onderhoud aan met de personeels chef, dhr van der Kolk en vroeg of ik
hiervoor in aanmerking kon komen. Hij vertelde mij dat hij hierover nog geen
beslissing kon nemen omdat hij nog niet wist dat Terbrugge zijn ontslag zou
nemen. In ieder geval beloofde hij mij zo spoedig mogelijk op de hoogte te
stellen van de gang van zaken en na een paar weken kreeg ik het bericht dat
ik zijn baantje zou krijgen. De doorslag was dat ik reeds een diploma bezat
van steno en typen. Mijn werk bestond uit het opnemen van brieven en memo's
en typen en voorts het bijhouden van statistieken. Voorts moest ik de
inkomende post en copies van brieven van al de andere ingenieurs opbergen.
Tevens werd ik toen lid van de luchtbeschermingsdienst en moest de roosters
opmaken voor die mensen die op bepaalde tijden dienst moesten doen. Ook werd
ik opgenomen in maandsalaris personeel en dit laatste zou op de lange duur
goed voor mij zijn, maar op het moment zou ik minder gaan verdienen en dit
heb ik maar op de koop toegenomen. Dit baantje duurde echter niet voor lang
want de politieke toestand in de wereld werd steeds slechter door het
toedoen van Hitler.
In augustus 1939 brak de voor-mobilisatie uit en ik moest mij reeds de
volgende dag melden in een school aan de Maria-plaats te Utrecht. Dit
gebeuren werd een grote teleurstelling voor mijn a.s. vrouw Jans van Druten
en mijzelf. Het geval was dat wij reeds een dag of tien in ondertrouw waren
en op de eerste sept. in Wageningen zouden trouwen, maar opeens kwam alles
op losse schroeven te staan. Wij hadden reeds een huis in de Weerkruislaan
om in te trekken maar Jans was reeds zonder werk en ik zou geen kostwinners
vergoeding krijgen vanwege onze burgerlijke omstandig heden. Goede raad was
duur en wat te doen om hier heelhuids en zonder scheuren uit te komen. Wel
nog dezelfde dag dat ik in Utrecht aankwam had ik reeds een gesprek met mijn
commandant, de Kapitein Stolk, in burgerleven was hij de Omroepleider van de
NCRV in Hilversum. Hij betoonde veel begrip voor mijn situatie en beloofde
mij zijn volledige medewerking en nog dezelfde morgen kwam hij mij vertellen
dat de Officier van de Arrondissement Recht Bank te Arnhem ons dispensatie
verleende om nog dezelfde dag te trouwen en wel om negen uur in de avond in
het Gemeentehuis te Wageningen en dit was 28 augustus i.p.v. de 1e
september. Ik kreeg een verlofpas en zat vrij spoedig in de bus richting
Wageningen en kwam aan in de middag met de mededeling we gaan vanavond
trouwen. Het nam wel wat tijd in beslag voordat zij mij geloofden en de
getuigen moesten nog gezocht worden en het ergste was dat de trouwjapon nog
niet klaar was. Maar een half uur voor de tijd wandelde het hele gezelschap
in hun daagse kleren en ik in mijn uniform naar het Gemeentehuis om in de
echt te worden verbonden. Wij kunnen dan ook wel vaststellen dat dit een van
de eerste mobilisatie huwelijken in Nederland was en dan op zo'n tijdstip.
Verder mijn schoonvader Willem van Druten was in de nachtdienst en kwam te
laat op de AKU aan. De volgende dag stonden wij om acht uur in de morgen al
bij het busstation en kon ik weer afreizen naar Utrecht, zo het werd voor
ons beiden wel een honeymoon om niet gauw te vergeten. De trouwjapon kwam
later wel klaar en toen hebben we maar een foto laten maken van het
gelukkige paar. Valt nog te vermelden dat alle meisjes die op het
textiellaboratorium (Monsterafdeling) bij de heer Rohn werkten bij hun
huwelijk altijd een grote lap zijde kregen om daaruit hun bruidsjapon te
maken Verder was hij een heel goede kunstschilder en verschillende meisjes
hebben dan ook schilderstukjes van hem aan de muur hangen en wij hebben er
twee die zo'n plaatsje kregen.
Over mijn mobilisatie tijd en de korte oorlog in mei 1940 valt niet veel te
vermelden en kwam terecht bij de telefooncentrale en de telex van het 4e
Legerkorps, die hun Hoofd Kwartier in Bilthoven, Utrecht hadden. Er volgde
nog een bevordering tot korporaal en werd later overgeplaatst naar Culemborg
en was daar toen de oorlog met Duitsland uitbrak en wij terugtrokken achter
de Waterlinie bij het plaatsje Meerkerk in de provincie Zuid-Holland. Het
enige daadwerkelijk oorlogsgebeuren waarbij ik betrokken was, toen er een
grote Duitse bommenwerper laag overvloog en blijkbaar op weg was met zijn
lading naar Rotterdam, ik op hem schoot met mijn karabijn, maar het was
blijkbaar mis want hij vloog rustig door en na die daad werd ik ook nog
berispt door een luitenant dat niet meer te doen. Hij wist blijkbaar nog
niet dat wij oorlog hadden met Duitsland. Het werd echter een heel korte
oorlog en het Nederlandse Leger capituleerde al vrij spoedig voor de
overmacht en De Duitsers beschouwden ons niet als krijgsgevangenen en wij
mochten dan ook al vrij spoedig naar huis. Begin juni 1940 zwaaide ik af
vanuit Zeist naar ons huis in Bennekom en dacht eindelijk alleen met Jans,
maar ook dit was een misrekening want haar ouders hadden in Wageningen hun
huis verloren door een bombardement en bij mij terugkomst waren zij en Jans
haar broer zolang bij haar ingetrokken. Gelukkig vonden zij spoedig een
ander huis en wel in de Gravinnenstraat te Wageningen waar zij helemaal
opnieuw moesten beginnen, want al hun spulletjes waren verbrand in de
Boterstraat.
De dag dat de Duitsers ons land binnenvielen was er ook nog een evacuatie
geweest van de inwoners van Wageningen en zij vertrokken met grote Rijnaken
naar het westen van het land en arriveerden in de plaatsje Zevenhuizen en
vonden daar onderdak voor een paar weken en Jans, die in verwachting was en
dus in Bennekom woonde, was maar met haar ouders meegegaan. Wel een paar
dagen na mijn thuiskomst besloot ik maar eens terug te gaan naar de AKU en
eens bekijken hoe of het daar verder met mij zou gaan. Ik moet echter nog
zeggen daar geen voet te hebben gezet over de laatste tien maanden en wist
dan ook niet wat er allemaal gaande was geweest over die periode. Toen ik
mij melde vond ik al spoedig uit, dat iemand anders in mijn plaats was
gekomen en dit werd dus een teveel. Maar nog dezelfde week kreeg ik een
overplaatsing naar de Loonafdeling en was daar echt blij mee en deed daar
heel veel ervaring op en het bleek later dat dit een erg succesvolle
loopbaan zou worden voor mij op die Afdeling.
Het berekenen van de lonen van de werkernemers in de fabriek was gesplitst
in twee aparte gedeeltes en wel een voor de normale werkers, zoals de
vaklieden en de werkers van het Chemisch Bedrijf, Spinnerij en Wasserij.
Voor het hele Textiel Bedrijf was echter een andere regeling en wel het z.g.
Bedeaux systeem, hetwelk gebaseerd was op Arbeidseenheden. Ik zal hierover
niet teveel zeggen, maar het kwam hoofdzakelijk hierop neer, dat 65
arbeidseenheden een normale prestatie was voor de meisjes en jongens en een
ieder die meer presteerde dan 65 kreeg een extra betaling voor de totaal
gemaakte arbeidseenheden over een week. Maar voor de jonge textiel-werkers
was er een heel nare clausule aan verbonden wanneer zij bij de AKU in dienst
traden, want zodra zij de 21-jarige leeftijd bereikten werden zij ontslagen
en dit was iets wat na de oorlog de AKU een beetje in het verkeerde daglicht
stelde. Dit was dus alleen voor de mannelijke werkkrachten en was niet van
toepassing voor het vrouwelijk personeel.
Verder was er op de Loonafdeling nog een heel vervelende situatie tijdens de
bezetting , want twee van onze collega's waren lid van de N.S.B. en een van
hen verscheen zo af en toe in zijn fascistisch uniform op het werk en wij de
anderen moesten dus wel heel voorzichtig zijn met onze uitlatingen. Soms
gingen de discussies wel wat te ver en dan kregen wij te horen, stop er nu
maar mee ,anders brengen wij jullie naar een plaats waar het niet zo leuk
is. Het gevolg was dat er natuurlijk altijd een gespannen sfeer was en dit
duurde tot het einde van de oorlog.
In die tijd ging de Vakbeweging ondergronds en haast iedereen zegde zijn
lidmaatschap op, maar de Duitsers stichten een nieuwe Vakorganisatie en wel
de N.A.F. (Nederlands Arbeids Front) onder leiding van de N.S.B.-er
Woudenberg. De plaatselijke vertegenwoordiger van deze vakbond in Ede werd
een zekere Arendsen, hij was een bankwerker bij de AKU en tevens een
assistent -instructeur van de gymnastiek vereniging Sparta. Maar hij en zijn
gezin kwamen min of meer ironisch om het leven toen er een Duitse V-1
precies op hun huis viel aan de Verlengde Maanderweg te Ede. Zijn buurman
Frans Lamers die een fitter bij de AKU was, kwam er met zijn gezin goed
vanaf en hadden alleen wat schade aan hun huis en die V-1 zal daar wel
rekening mee hebben gehouden dat zij goede Nederlanders waren Voorts waren
er ook nog enige Joodse medewerkers bij de AKU en wel de ingenieurs Gelber;
Levison en Dr. Heimanns en voorts nog dhr. Rippe, die het magazijntje voor
kantoor benodigdheden beheerde. Zij werden dus verplicht om de Davidster te
dragen en de eerste drie zijn er goed doorheen gekomen, maar de laatste
Rippe en zijn echtgenote werden opgepakt en naar een concentratiekamp in
Duitsland gezonden en die hebben wij nooit meer terug gezien.
Het leven op de Loonafdeling ging zijn gewone gang en na verloop van enige
tijd kreeg ik daar het baantje van kassier op de Loonafdeling en tevens het
beheer over het spaarfonds.Ook had ik al eens een paar maal moeten invallen
als de algemene caissière van de fabriek Mej. van de Brink met vakantie ging
en dit was altijd een hele gebeurtenis voor mij, want zij was degene
waarvoor ik altijd rekeningen in het dorp moest betalen toen ik nog een
loopjongen was.
Gelukkig was er inmiddels een einde gekomen aan de oorlog en tot september
1944 was het voor de AKU nog vrij redelijk gegaan met de productie. Maar
daar kwam een abrupt einde aan toen in september de luchtlandingen plaats
vonden op de Ginkelse heide en dit werd vooraf gegaan door een bombardement
om de Duitsers wat schrik aan te jagen en dit laatste is mij nog steeds een
raadsel, want er was op dat moment geen Duitser meer in geheel Ede. In ieder
geval dit bombardement werd funest voor de woonwijken in Ede-Zuid en er
vielen dan ook honderden slachtoffers te betreuren en in de middag herhaalde
zich dit nog eens, maar toen ten noorden van de spoorwegbaan Ede-Arnhem en
met hetzelfde resultaat. Ook Wageningen kreeg er van langs vooral in de
Sahara-wijk en daar vielen dan ook talloze doden te betreuren. Ook de AKU
moest het ontgelden en de Elektriciteitscentrale kreeg dan ook een paar
voltreffers die het bedrijf voor een lange tijd stil zou leggen. Bij dit
bombardement verloor ik een van mijn vrienden en wel Willy Zittersteijn, die
dusdanig werd gewond dat hij een dag daarna kwam te overlijden. Hij woonde
met zijn gezin in de Twijnstraat en was werkzaam op de Personeels Afdeling.
Ook de Veiligheids Inspecteur Dhr. van Loon van de AKU verloor door dit
gebeuren zijn vrouw en dochtertje. Verder woonde op de hoek van de
Blokkenweg en de Zijdelaan het gezin Plantinga, hij was een elektricien bij
de AKU. Op de dag van de luchtlanding op de Ginkelse Heide, gingen twee
zoons van hen daar een kijkje nemen en werden toen door de Duitsers opgepikt
en zijn nooit meer teruggekomen.Verder weet ik mij nog heel goed te
herinneren toen de eerste bom viel en wij woonden toen in Bennekom in 1940.
Het was tegen middernacht en lagen pas in bed en plotseling was er een
geweldige knal en zaten prompt overeind niet wetende wat het was. De
volgende dag toen ik naar mijn werk ging werd het mij duidelijk want precies
tegenover de Reehorsterweg en op het AKU-terrein was een enorme krater
veroorzaakt door een bom. Het gevolg was dat heel wat huizen , die het
eigendom waren van de AKU beschadiging opliepen.
In 1943 gingen wij verhuizen naar de Zijdelaan 3 te Ede en dit was precies
dezelfde woning waar ik voordien woonde met mijn pleegouders en kwam dus wat
dichter bij de fabriek te zitten en ook waren al mijn buren natuurlijk
werkzaam bij de AKU. Maar dit laatste was heel normaal het maakte niet veel
uit waar je in Ede of Bennekom woonde want de meeste buren waren AKU-nezen.
Toen Mej. van den Brink, de caissière met pensioen ging kreeg ik haar
baantje erbij en werd dus de Algemene Kassier van de AKU te Ede. Maar een
jaar of drie later kwam er een vacature als administrateur voor de Ziekenkas
en het hoofd van de Personeelszaken de heer van der Kolk, vroeg mij of ik
dit baantje wilde hebben en zei toen vlug ja. Chef van de Loonafdeling was
toen de heer Bok, aan wien ik de beste herinneringen bewaar en mij altijd
rustig liet werken zonder zich veel met mij te bemoeien. Voorts als hij door
vakantie of ziekte zijn werk niet kon mocht ik hem vervangen.
Het werk was veelomvattend , zoals het berekenen van Zieken- en Ongevallen
Geld, de Administratie van de Kinderbijslag en toendertijd de Rentekaarten,
maar Leo Brom was een goede hulp voor mij als een assistent. Voorts was ik
administrateur van A.Z.O-fonds (aanvullend zieken- en ongevallengeld),
bestuursleden waren hiervan dhr. van Nus, (voorzitter) en voorman in de
Twijnerij; van Dreven (secretaris) en een timmerman en bestuurslid van de
Bovenkamp, voorman in de Spinnerij. Verder was ik secretaris-penningmeester
van de AKU-Reisvereniging, hetwelk inhield het verzorgen van een en
tweedaagse reizen in het binnen-en buitenland. ( voorzitter was dhr Siep en
een voorman in het Chemisch Bedrijf en dhr Hoen was bestuurslid en was
werkzaam in de Garage) Dan was ik ook nog secretaris-penningmeester van het
Jubileum Fonds, die avonden verzorgde voor het personeel die hun 25-jarig
dienstverband vierden in de Reehorst.(voorzitter dhr. Thiele, bestuursleden
Mej.Grootveld van de Monsterkamer en verder dhr. Driessen (Magazijn-Boekhouding)
; Henk van der Scheur (Personeel-Afdeling) ; Demilt (Bankwerker)
Voor de Bond van Kantoorbedienden en Toezichthoudend Personeel had ik
zitting in de beambtenraad en was tevens ook een vertegenwoordiger in de
Ondernemingsraad van de AKU fabrieken. In die jaren was er op de
Loonafdeling een flinke doorstroming geweest van personeel, wat ook op al de
andere afdelingen hetzelfde was en de oudjes waren met pensioen gegaan of
overgeplaatst naar elders. Op de Loonafdeling waren werkzaam in 1957 Dhr.
Bok (chef) en de heren Slager; Jansse van Noordwijk (zijn vader was een
Bankwerker); Jan Smit; Gerard Fellinger (zijn vader was Mr. Fellinger van de
Bankwerkerij); Gerrit van Heusden uit Wageningen, later overgeplaatst naar
de AKU-Arnhem; J.Klok; Arie Sanders en Buser, voorts nog Ginnie Muller (haar
vader was voorman in de Zuurkelder) zij trouwde later met Caspers (zijn
vader was voorman in de Spinnerij) en later kwam voor Ginnie Muller in de
plaats Woutje van den Berg.
Voorts waren in de jaren van 1934 - 1957 de volgende personen directeur van
de AKU te Ede en wel de heren Rathgeber; Nolet; van Hall en Tesselhof. Van
deze was de heer Nolet zeker de meest humaanste persoon, erg vriendelijk en
altijd bereid om iemand te helpen en hij maakte geen verschil tussen hoog en
laag. Wijlen Willly Zittersteijn en ik kunnen dit beamen toen hij ons hielp
dat wij een flinke loonsverhoging kregen die ons optrok met het andere
personeel die op dezelfde afdeling werkten. Voorts toen onze stofzuiger het
begaf en onderdelen tijdens de oorlog niet meer te krijgen waren, gaf hij
toestemming dat de elektriciens dit zouden opfiksen.
Voorts over de eerste directeur den Hartog nog het volgende verhaaltje en
bewees hij ook een goed karakter te hebben. Het was op een Sinterklaas feest
te Ede, waar mijn vrouw toen zij nog een klein meisje met haar vader Willem
van Druten naar toe ging. Dhr. den Hartog nam haar hand en Jansje mocht toen
een mooi geschenk uitkiezen. Zoals ik reeds eerder vermelde trouwde ik met
Jannetje van Druten, die ook werkzaam was op de A.K.U. en dat zou een doorn
in het oog van Dhr. den Hartog zijn geweest, want hij wilde in zijn tijd
niet dat jongens en meisjes met elkaar praten. Gelukkig voor ons en vele
anderen was hij er niet meer want er zijn heel wat huwelijken gesloten
tussen AKU-nezen. Om er maar een paar te noemen: Bart Kievit (bankwerker) en
Bets Braber (text.lab); Snelders(loon-afd.) en Mej. Minkhorst (opzichteres);
van Otterlo ( bankwerker ) en Haverkamp (admin.meisje); Hekelaar
(tekenkamer) en Navest (schoonmaakster) en van Gijzen (laboratorium) en
Jopie Meijer ( text.lab) en zo zou ik nog wel door kunnen gaan, want het
begon een echte familie aangelegenheid te worden in het bedrijf, want er
werkten vaders, zoons en dochters en zelfs een enkele grootvader.
Voorts heeft het sociale inzicht van de directie van ENKA-AKU ook wel een
grote verandering ondergaan in vroegere dagen waren er inspectrices in
dienst zoals de dames Meijerink en Gerritsen,die als er nieuwe werknemers
zouden worden aangenomen er eerst op uit trokken om een rapport te maken wat
het verleden van de sollicitant was geweest. Als hij een lid was van de
toenmalige partij de S.D.A.P. en het dagblad "Het Vrije Volk"las of lid was
van de Communistische Partij en de Waarheid las dan kwam zijn kans om werk
bij de AKU te krijgen wel op een heel laag pitje te staan. Dit beleid
behandelde men in latere jaren met meer soepelheid en het idee van de
Amerikaan McCarthy, dat heel wat mensen verkeerde neigingen hadden liet men
dan ook min of meer vallen.
Een grote verbetering kwam toen de directie sociale werksters aanstelde en
het fonds voor bijzondere noden gesticht werd. Deze gehele nieuwe aanpak
zorgde ervoor dat de verhoudingen tussen werkgever en werknemers een stuk
beter werden.Ik herinner mij nog de navolgende Sociale Werksters en wel de
dames Ruppert; de Groot; Brederode en van Brandele. Hoe groot de invloed de
ENKA-AKU voor Ede was kwam wel tot uiting in de Gemeenteraad van die
gemeente in 1956 toen bijna de helft van alle raadsleden werkzaam waren bij
dit bedrijf. Om er maar enkele te noemen: Voor de P.V.D.A. Arie Roseboom
(wethouder ) en werkte in de Buitenploeg; Toon van Rijswijk, was een
bankwerker en later kreeg hij de technische leiding bij de bouw van het
Continue Bedrijf; Wiebe Slager, administrateur van de Ziekenkas; en Mevr.
Mes, zij was de echtgenote van dhr. Mes, chef van de Tekenkamer.Voor de
K.V.P. hadden zitting dhr. Merlijn, de Hoofdmeester van de Wasserij en van
Eekelen, was een spinner. Verder Wiegeraadt voor de C.H.U, hij was een
bankwerker en werd wethouder. Vertegenwoordiger voor de VVD was dhr. Hali,
chef Personeelszaken en de laatste voor de SGP was van Prooijen. De laatste
herinner ik mij nog heel goed, want wanneer hij ziek was wilde hij geen
ziekengeld ontvangen vanwege zijn geloofs overtuiging. Ik zal er nog wel wat
vergeten hebben over die tijd.
Ook waren er toen heel wat clubs en organisaties die subsidie ontvingen van
de AKU, zoals de Speeltuinvereniging "Vooruit" aan de Zandlaan, waarvan
Bertus Lamers een bankwerker bestuurslid was. Het ENKA's Mannenkoor; de
Toneelvereniging; de Foto club; Tafeltennis-club; Volley-bal en de voetbal
vereniging Blauw-Geel en er zullen er nog wel meer zijn geweest.
Dan nog iets wat ik buiten de fabriek om deed in mijn vrije tijd en dat was
ook heel wat en later zou blijken dat het teveel hooi op de vork voor mij
was geweest en een abrupt einde betekende aan alles.Ik zat dus in de
Gemeente Raad en was daar lid van de commissies voor het Onderwijs en
Financien. Voorts voorzitter van de ouder-commissies van de Openbare Scholen
in Ede-Zuid en aan de school aan de Ganzenweide en mede oprichter van
openbare kleuter scholen en daarvan secretaris-penningmeester. De heer van
Rijswijk (AKU) was voorzitter en samen kregen wij het gedaan met de hulp van
heel wat vakmensen die allemaal bij de AKU werkzaam waren om al de stoeltjes
en tafeltjes voor de kleuters te maken. Tot slot gaf het Gemeente bestuur
toestemming dat wij de beschikking konden krijgen over leegstaande lokalen
aan de twee Openbare scholen.
Ook waren er nog de talrijke functies in de Vakbeweging, zoals Bestuurslid
van de Algemene Bedrijfsgroepen Centrale (ABC); de Kantoorbedienden- en
Toezichthoudend Personeel in de ABC. dan nog Secretaris van de Edese
Bestuurders Bond; Secretaris van de Stichting Eigen Gebouw en Secretaris van
Zonnestraal, een vereniging tegen bestrijding van TBC. En mijn laatste
functie was als een vertegenwoordiger van het N.V.V. in de
Huuradvies-Commissie te Wageningen.
Nadat je het bovenstaande hebt gelezen kom je wel tot de conclusie dat ik
mij niet verveelde in Holland en met mij tijd wel raad wist. Maar zo als ik
reeds zei kwam daar eind 1954 wel een onverwacht einde aan in de vorm van
een zware zenuwinstorting, die het mij onmogelijk maakte op dezelfde voet
voort te gaan. Het kwam zonder vooraf een waarschuwing te hebben gekregen en
ben daarna zeker een maand of twee met zieken verlof geweest. Daarna nog
bijna twee jaartjes gewerkt maar zag uiteindelijk wel in dat het nooit meer
zou worden zoals het voorheen was. Verschillende zaken kregen niet de nodige
attentie en tot mijn grote teleurstelling kreeg ik ook niet veel help van
anderen. Uiteindelijk kwam ik tot de voornaamste beslissing dat ik wilde
leven en meer aandacht besteden aan mijn vrouw en kinderen. Maar de vraag
was hoe!
In Ede en op de AKU was dit niet meer mogelijk, waar dan wel. In het laatst
kwam ik met het idee om ergens anders geheel opnieuw te beginnen maar niet
in Nederland en mijn oog viel toen op Australië en legde dit plan voor aan
mijn vrouw. Tot mijn verbazing was zij het daar volkomen mee eens en bij het
begin van 1957 begonnen wij hieraan te werken en gingen naar
voorlichtigingsavonden in Arnhem. In maart van dat jaar kregen wij het
bericht, dat we in augustus konden vertrekken met ons gezin. Zo de 12e
augustus gingen wij met het schip "De Waterman" naar Australië en het
ongewisse tegemoet niet wetende waar wij zouden belanden. Maar wij
beschouwden de hele onderneming als een uitdaging wel wetende dat zij niet
op een kantoorbediende zaten te wachten. Wij kwamen aan op de 12e september
in Melbourne en stuurden ons nog dezelfde dag door naar Adelaide in
South-Australia. Na twee weken kreeg ik reeds een baantje bij een grote
automobielen fabriek van General Motors als een magazijnbediende en een paar
maanden later werd ik geplaatst op het kantoor van de nieuwe fabriek in
Elizabeth en kregen wij tevens een woning toegewezen van het gouvernement in
die plaats. Het is ons hier altijd heel goed gegaan en toen ik 60 jaar werd
ben ik met pensioen gegaan om met mijn vrouw door heel Australië te toeren
met de caravan.

Caravan van Wiebe Slager, let op het kenteken
Met mijn zenuwen ging het ook heel goed en het enigste baantje wat ik hier
ooit deed was, dat ik een aantal jaren voorzitter ben geweest van een
Hollandse georiënteerde voetbalclub "Orange" waarvoor mijn beide zoons John
en Wil speelden. Later behaalde ik ook nog het trainers diploma van de
Australische Voetbalbond en trainde toen verschillende 1e klassers hier.

Afscheid van Wiebe Slager in juli 1957
Verder hebben wij hier nog wel wat oud AKU-nezen ontmoet en wel de familie
Kerseboom die in Melbourne woonden. Willy was een voorman in de Spinnerij te
Ede en in Melbourne heeft hij zelfs een tijdje gewerkt bij een Viscose
fabriek en in latere jaren werd hij een conciërge van een grote fabriek in
Melbourne en wat mij het meest verbaasde was dat Kerseboom een hoge functie
beklede in de Vrijmetselarij. Wel hij en vrouw zijn inmiddels al weer jaren
geleden overleden. Het was altijd een familie die niet veel geluk kende,
want toen zij te Ede in de 1e Parkdwarsweg (later Willem Witsenlaan) woonden
waren er ook al enige kinderen op jonge leeftijd overleden en dit vervolgde
zich hier ook. Want hun oudste zoon kwam hier om het leven bij een auto
ongeval en dit gebeurde al toen zij nog maar net hier in Melbourne aankwamen
en verder overleed een andere zoon aan een hartaanval. Verder kwam een broer
van Kerseboom om het leven bij een ongeluk op de AKU te Ede. Wij zochten
elkaar nog wel eens op als de vakanties er waren. Verder was daar in
Melbourne nog de familie Braafhart, waar hij werkte bij de AKU, dat weet ik
niet meer. Zijn vrouw was er een van Hazeleger aan de Zandlaan en hebben hen
ook wel eens ontmoet. Voorts nog een zekere Thijssen hij kwam uit Lunteren
en was een bankwerker in de Twijnerij en werkte hier bij dezelfde fabriek
als ik. In die jaren vertrokken ook nog een zekere de Longste die zich in
West-Australia vestigden en Arie van Ginkel en zijn gezin, hij was een
instrumentmaker en ging naar de plaats Albury in New-South Wales. Verder was
in 1953 Jaap Groeneveld met zijn gezin hier al aangekomen. Zij woonden toen
in de Weerkruislaan te Bennekom en wel vlakbij ons. Hij was eerst een
tijdschrijver in de elektriciens werkplaats en later op de
personeelsafdeling en bij zijn vertrek naar Australië was hij de archivaris
van het gehele bedrijf.

Afscheidsrede van de voorzitter van het A.Z.O.fonds Dhr. van Nus
Zijn vrouw is al weer enige jaren geleden overleden maar Jaap is nu 89 jaar
en woonachtig een paar straten van ons vandaan en wij zoeken elkaar dan ook
vrij regelmatig op. Mijn vrouw en ik zijn over de jaren een paar keer terug
geweest naar Holland, de eerste maal was dit in het verband met het
overlijden van mijn schoonvader Willem van Druten en mijn Zwager Bertus van
Druten, beide stierven in dezefde maand en dit was in augustus 1976.
Van die gelegenheid maakte ik gebruik om de AKU nog eens te bezoeken, maar
afgezien dat ik alleen Jan Smit; Kreuze; van de Brink en mej. van de Goot
uit mijn tijd nog zag werd het wel een ontgoocheling want het hele bedrijf
nog eens doorlopende zag ik geen enkele bekende meer en het was overal
akelig stil in vroegere dagen toen ik er nog was werkten daar zeker
vierduizend mensen en ben dan ook maar gauw weggegaan. Wel al met al is het
nog een heel verhaal geworden over mijn jaren bij de AKU te Ede, misschien
is het teveel of te weinig dat kan ik niet beoordelen maar mijn bedoeling
was om zoveel mogelijk mensen en namen te noemen van oud werknemers om ze
een beetje aan de vergetelijkheid te ontrukken.
Ook wens ik al degene die nu hun ontslag hebben gekregen dat zij spoedig
weer werk mogen vinden en dat het hen en hun gezinnen goed moge gaan in de
toekomst.
Australie (2002), Wiebe Slager.
Lees
hier het vervolg van Wiebe.
Note van de webmaster:
Wiebe Slager is op 29
januari 2009 op 91 jarige leeftijd is overleden.