|
De ENKA
kunstzijdefabriek in Ede
Veranderingen in een Veluws dorp in de periode 1919 -1939
De economie in Ede
In 1900 was 57% van de Edese bevolking nog
werkzaam in de landbouw. Tien jaar later was het aandeel van
de landarbeiders gedaald tot 47%. Van de rest van de
beroepsbevolking werkte 21% in de nijverheid, de overige 32% was
in dienst van het rijk ( garnizoen), oefende een vrij beroep uit
of was langdurig werkloos. Hoewel de Eerste Wereldoorlog aan
Nederland voorbij was gegaan, waren de economische
omstandigheden in 1918 niet goed. In het dorp heerste een
crisissfeer met het gevolg dat in de winter veel inwoners een
beroep deden op de gemeentelijke armenzorg of aanklopten bij de
diaconie van de Nederlands Hervormde Kerk.
Hoewel met de komst van het garnizoen de
werkgelegenheid in Ede en omgeving was verbeterd, bleef de
arbeidsmarkt zo ongunstig, dat werkverschaffingsprojecten
noodzakelijk bleven.
Het plan van Dr. Hartogs om in Ede een
grote kunstzijdefabriek te bouwen, kwam voor burgemeester Creutz
dan ook als een geschenk uit de hemel. De nieuwe fabriek zou
werkgelegenheid bieden aan 650 mannelijke en 1300 vrouwelijke
werknemers. Het inwonertal van Ede zou met de komst van de
fabriek stijgen en bovendien werd een flink bedrag aan extra
belastinginkomsten in het vooruitzicht gesteld. Als
tegenprestatie diende de gemeente medewerking te verlenen bij de
bouw van driehonderd arbeiderswoningen. Op het moment dat de
gemeenteraad akkoord ging met het voorstel voor de woningbouw,
was de weg vrij voor Dr. Hartogs om zijn plannen voor een nieuwe
kunstzijdefabriek te realiseren. Met de vestiging van de fabriek
kwamen nieuwe inwoners uit alle delen van Nederland naar Ede en
deed een nieuw element, in de persoon van de fabrieksarbeider,
zijn intrede in de Edese samenleving. De snelle metamorfose van
plattelandsdorp naar industrieplaats moet een enorme impact
hebben gehad op het dorp en haar bewoners.
Vooral in de eerste twintig jaar na de
oprichting van de fabriek hebben zich in Ede grote veranderingen
voorgedaan. In mijn scriptie heb ik geprobeerd veranderingen te
beschrijven die, mede door de aanwezigheid van de ENKA de Edese
samenleving een ander gezicht gaven.
Zoals uit de grafiek op de volgende pagina
blijkt, groeide de werkgelegenheid in de gemeente Ede
hoofdzakelijk door de komst van de ENKA.
|
Nieuwe
vestigingen te Ede van 1918 tot 1928 |
|
|
|
|
aantal
personen |
|
|
|
|
bedrijfsgroep |
|
aantal
bedrijven. |
|
|
bij opr.
|
|
|
in 1928 |
|
drukkerijen |
|
1 |
|
|
7 |
|
|
7 |
|
houtbewerking |
|
5 |
|
|
23 |
|
|
35 |
|
autoherstelwerkpl. |
|
1 |
|
|
4 |
|
|
6 |
|
metaalwarenfabr. |
|
1 |
|
|
8 |
|
|
10 |
|
metaal-ijzergieterij |
|
1 |
|
|
23 |
|
|
29 |
|
smederijen |
|
1 |
|
|
9 |
|
|
9 |
|
kunstzijdefabrieken |
|
1 |
|
|
1609 |
|
|
3448 |
|
sigarenfabrieken |
|
1 |
|
|
3 |
|
|
66 |
|
totaal
|
|
12 |
|
|
1686 |
|
|
3610 |
De
Nederlandse Kunstzijdefabriek
De oprichter van de fabriek
Jacques Coenraad Hartogs die in 1879 in
Rotterdam werd geboren als zoon van de eigenaar van een
handelshuis in textiel moet worden gezien als de grote
stimulator van de kunstzijde-industrie in Nederland. Hij
behaalde in 1908 zijn doctoraal in de chemie, en vertrok met
zijn echtgenote naar Engeland om bij de firma Courtauld de
finesses van de kunstzijdeproductie te leren. In de periode dat
Hartogs bij Courtauld werkzaam was, ontwierp hij een spinpomp en
bedacht verbeteringen voor het spinbad. In 1909 keerde Hartogs
terug naar Amsterdam voor promotieonderzoek.
De start van de Nederlandse
kunstzijde-industrie
Kort na zijn promotie besprak Hartogs met
enkele belangrijke personen zijn plannen voor de bouw van een
kunstzijdefabriek in Nederland. Na deze bijeenkomst stuurde hij
zijn gesprekspartners een prospectus waarin hij zijn ideeën
uiteenzette. Enkele maanden na dit gesprek had Hartogs het
benodigde kapitaal bijeen voor de start van een
kunstzijdefabriek. Hij ging zo voortvarend te werk dat op 8 mei
1911 in Arnhem de N.V. Nederlandse Kunstzijdefabriek werd
opgericht. Vanaf het moment dat de fabriek in 1913 in Arnhem
haar poorten opende, was de kunstzijdeproductie in Nederland een
feit. Kunstzijde kon worden geproduceerd uit goedkope
grondstoffen. Zij had meer glans dan echte zijde en kon voor
meer doeleinden gebruikt worden.
Hartogs als fabrieksdirecteur.
Kenmerkend voor de tijd waarin Hartogs de
Nederlandse Kunstzijdefabriek oprichtte, was een liberaal beleid
waarin sociale zorg niet tot de taak van de overheid behoorde.
Ondernemers konden lonen en arbeidsvoorwaarden vaststellen zoals
het hun uitkwam. Daar tegenover was bij een aantal bedrijven ook
sprake van nobele sociale motieven.Deze ondernemers
onderscheidden zich door het oprichten van sociale fondsen en
woningbouw- en fabrieksverenigingen. De sociale voorzieningen
die zij voor hun werknemers in het leven riepen waren echter ook
vaak ingegeven door eigenbelang. Enerzijds bedoeld om de groei
van het bedrijf te stimuleren, anderzijds om arbeidsonrust te
voorkomen.Hartogs, die was opgegroeid in een Joods liberaal
milieu, leefde niet als orthodoxe jood, maar volgde wel de
joodse sociale wetten voor zijn personeel. Vanaf de start van de
onderneming richtte hij zich ook op het welzijn van de
werknemers van de kunstzijdefabriek.
De ENKA buiten de landsgrenzen
Gedwongen door de dalende prijzen van
kunstzijde, werden afzetvergroting en effectieve
productiemethoden noodzakelijk. In 1925 werd onder leiding van
Hartogs de Maatschappij tot Exploitatie van Kunstzijdefabrieken
in het buitenland opgericht. Deze maatschappij kreeg als
opdracht: “Het bevorderen van investeringen en deelneming aan
industriële activiteiten in het buitenland”. In de volgende
jaren kreeg de ENKA onder meer belangen in Frankrijk, Italië en
Engeland. In de VS was Hartogs in 1928 medeoprichter van de
American ENKA Corporation. Met dit initiatief kreeg de ENKA
toegang tot een groot Amerikaans afzetgebied. In 1929 zette de
ENKA een nieuwe stap naar internationalisering. Het bedrijf
fuseerde met de Vereinigde Glanzstoff Fabriken A.G. in
Duitsland.De nationale ENKA werd de internationale Algemene
Kunstzijde Unie (AKU).
Hartogs afscheid van de
kunstzijdefabriek
Hartogs had grote moeite met het delen van
de eindverantwoordelijkheid in de nieuwe onderneming. Een jaar
na de fusie legde hij, in overleg met de Raad van
Commissarissen, zijn functie neer. Tot aan zijn dood bleef hij
als adviseur met het bedrijf verbonden. Hij overleed in
1932 tijdens een handelsreis aan een hartstilstand. In
1961 memoreerde K. Soesbeek Hartogs met de woorden: “Een
eenhoofdige directie stelt hoge eisen aan de organisatie
om de eenheid van beleid te handhaven. Hartogs was in wezen een
eenzame figuur op zijn hoge post.”
De
bouwgeschiedenis van de kunstzijdefabriek in Ede
Uitbreiding van de kunstzijdeproductie
-
De ligging van
het terrein op het hoogterras van de Veluwe waardoor men
veel water van goede kwaliteit kon oppompen.
-
Een locatie aan
de spoorlijn Arnhem – Utrecht, gunstig voor het vervoer van
grondstoffen, producten en arbeidskrachten.
-
De haven van
Wageningen op 10 kilometer afstand, wat geschikt was voor de
aanvoer van grondstoffen over water.
-
Goedkope grond.
-
Het terrein lag
op korte afstand van Arnhem zodat het management de eerste
jaren in deze stad kon blijven wonen.
Twee problemen moesten worden opgelost:
1. In Ede en directe omgeving waren
onvoldoende geschikte arbeidskrachten beschikbaar.
2. De afvoer van het afvalwater kon nog
niet naar behoren worden geregeld.
Voorbereidingen
Tijdens de bespreking met burgemeester
Creutz vroeg Hartogs medewerking van de gemeente bij de bouw van
300 arbeiderswoningen. De steun van de gemeente bij de
huisvesting van de fabrieksarbeiders was een voorwaarde voor de
vestiging van de fabriek. Als locatie voor de nieuwe
kunstzijdefabriek had Hartogs de “Schraaljammerheide” op het oog.
De Kunstzijdefabriek Nederland kocht op 20
augustus 1919 in totaal 34,579 ha. heide en houtopslag á f.
0.20, - per vierkante meter van een rentmeester, een
projectontwikkelaar avant la lettre en een particulier. In
tegenstelling tot wat door Van Eck in zijn sociografie uit 1938
werd geopperd, behoorden de verkopers van de grond niet tot de
ENKA-directie. Omdat aan het einde van de Eerste Wereldoorlog de
industrie weer aantrok was de f. 69.125, - die voor de
industriële bouwlocatie aan een spoorlijn werd betaald alleszins
redelijk.
In de raadsvergadering van 2 september
1919 werd het verzoek van Hartogs besproken om medewerking te
verlenen aan de bouw van de 300 arbeiderswoningen. In de
discussie over het voorstel werden als positieve punten voor de
komst van de fabriek genoemd: nieuwe werkgelegenheid,
bevolkingsgroei en extra belastinginkomsten van f. 48.000. Van
Hunnik (CHU) wilde zijn stem aan het voorstel geven op
voorwaarde, dat het complex arbeiderswoningen als een tuindorp
zou worden gebouwd. Door d bouw van arbeidershuizen in de vorm
van een tuindorp zou het dorpse karakter van Ede minder worden
aangetast. Het raadslid Dinger (Onafh.) vroeg zich af: “moet
Ede een fabrieksplaats worden, of een pensionplaats?” De
raad maakte zich wel grote zorgen over problemen die zich bij
een onverhoopte sluiting van de fabriek zouden voordoen. Ondanks
alle zorgen liet de raad, na uitvoerig overleg, werkgelegenheid
prevaleren en nam het voorstel aan met 15 stemmen voor en 2
stemmen tegen. Eén dag na deze raadsvergadering werd, onder
voorzitterschap van Hartogs, de woningbouwvereniging ‘Vooruit’
opgericht.
De bouw van de fabriek
Hartogs gaf aan de genieofficier en
bouwkundig ingenieur Jhr. J.W. Van den Bosch opdracht voor de
bouw van de fabriek.Van den Bosch ontwierp niet alleen de
fabriek maar was tevens uitvoerder van het project. Het door hem
ontworpen grootschalige complex werd gekenmerkt door een
planmatige opzet en een efficiënte indeling.
De eerste fase van de bouw werd uitgevoerd
door tweehonderd arbeiders onder leiding van Duitse ingenieurs.
Men bouwde dag en nacht onder het licht van booglampen die van
stroom werden voorzien door een provisorische installatie. De
ijzerconstructies voor de fabriekshal, die werden aangevoerd uit
Duitsland, werden in kolomgaten geplaatst en aan elkaar
geklonken. Op het bouwterrein midden op de heide, werden de
benodigde klinknagels gesmeed. Gedurende het hele bouwproces was
Hartogs dagelijks op de bouwplaats te vinden waar hij een oogje
in het zeil hield.
Een
luchtfoto van de fabriek omstreeks 1923.
Bron: Enka-reunievereniging.
Het bouwplan
Het hoofdgebouw bestond uit een carré van
vier gesloten vleugels met op elke hoek een toren. Het hart van
het carré werd gevormd door de kolencentrale met een 75 meter
hoge schoorsteen. De technische werkplaatsen waren rond het
carré geplaatst. De carrévorm was afgestemd op een logische
arbeidsgang: rechts van de hoofdpoort kwam de cellulose binnen
om middels de U-vorm van het complex tegen de klok in het
productieproces te doorlopen. Uiteindelijk verliet het
eindproduct links van de poort de fabriek. Eén van de hoektorens
deed dienst als watertoren. Het benodigde fabriekswater werd ter
plekke opgepompt. Voor het productieproces was per dag 12.000
kubieke meter water nodig. In de jaren twintig gebruikte een
middelgrote stad een zelfde hoeveelheid water per dag. Het
afvalwater werd in een gesloten riolering tot aan de spoorsloot
afgevoerd. Een aftakking van de spoorlijn liep via een
toegangspoort naar het fabrieksterrein. Deze lijn werd gebruikt
voor de aanvoer van kolen en grondstoffen en voor het transport
van het eindproduct. De toegangspoort in het midden van de
westgevel was bereikbaar via de Enkalaan die de hoofdingang
verbond met de Grintweg (nu Bennekomseweg).
Uitbreiding van de fabriek
In 1924 bleek het noodzakelijk de
capaciteit van de fabriek in Ede uit te breiden. De eerste
uitbreiding was een kleed- en schaftgelegenheid voor vrouwen en
meisjes. Voor het vervoer van grote aantallen meisjes en vrouwen
was in 1924 door de ENKA de EVA busmaatschappij opgericht. Op
dat moment was de EVA met 39 bussen de grootste busonderneming
van Nederland. Voor
het onderhoud van deze bussen werd in 1926 een garagecomplex
gebouwd. In hetzelfde jaar werd een magazijn voor de opslag van
magnesiumsulfaat gerealiseerd. Aan de zuidkant van het carré
kwam een tweede schoorsteen die nodig was voor de afvoer van
spingassen.
In 1927 besloot de Raad van Commissarissen
tot de bouw van een nieuwe productie-eenheid in Ede. Voor deze
nieuwbouw ging de opdracht opnieuw naar Jhr.Van den Bosch. Hij
ontwierp en bouwde in 1928 een L-vormige westvleugel. Twee,
haaks op elkaar staande panden werden samen met een derde gebouw
tegen de westkant van het oude carré aangebouwd. Hierdoor
ontstond een tweede binnenplaats. Glazen daken zorgden voor een
egale binnenverlichting, zodat de werkomstandigheden voor de
werknemers aanzienlijk verbeterden. De noordwestelijke hoektoren
werd links van het nieuwe poortgebouw ingepast, rechts van de
poort kwam een nieuwe toren. De ingang van de fabriek kwam nu
aan de Parallelweg langs de spoorlijn te liggen. Aan de oostkant
van de poort werden nieuwe kleedlokalen voor meisjes en vrouwen
gerealiseerd. Door de strakke gevelwanden, waarin de torens
waren ingepast, kreeg de fabriek de uitstraling van een moderne
industriële vestiging.
Een
luchtfoto van de fabriek genomen na de uitbreiding van 1928.
Bron:
Enka-reunievereniging
De kunstzijdeproductie in de fabrieken
in Arnhem en Ede
Voor kunstzijdeproductie in Nederland koos
Hartogs voor het viscoseprocédé. Vanaf de start van de productie
waren er problemen met het spinbad. Elke dag stond men voor
nieuwe raadsels die alleen konden worden opgelost door
zorgvuldige observatie van de dagelijkse praktijk. Als geen
ander begreep Hartogs dat onderzoek van de vezels en proeven met
het spinbad belangrijk waren. Hiervoor bouwde hij een klein
chemisch laboratorium waar hij met zijn medewerkers aan de hand
van experimenten de problemen probeerde op te lossen.
Op het moment dat de kunstzijdeproductie
in Ede van start ging, behoorden de moeilijkheden van de eerste
jaren al grotendeels tot het verleden. Met moderne machines werd
de viscose naar de spinnerij gepompt, waar ze met grote kracht
door een platinagouden spindop in een zuurbad werd geperst. De
spindop was voorzien van minuscule gaatjes waaruit dunne
straaltjes viscosestroop liepen die in het zuur stolden tot een
draad. Deze draden werden opgepakt en naar een spinspoel geleid.
Om de zwavelkoolstof te verwijderen moesten de draden worden
gespoeld. Met dit spoelen en bleken werd het natte proces
afgesloten en was de viscosedraad klaar voor verdere bewerking.
Voor de nabewerking
van de viscosedraden in het textielproces waren honderden
meisjeshanden onmisbaar.
Het garen werd eerst op spoelen gewikkeld,
waarna het van buitenaf opnieuw werd gespoeld. Deze draden waren
de los naast elkaar liggende bundels uit het spinbad.
Twijnmachines draaiden de bundels in elkaar zodat een stevige
draad ontstond. Na het twijnen werd het garen gehaspeld en
getransporteerd naar de strengensorteerafdeling. Hier werd het
nog eens gewassen en gebleekt. Het eindproduct werd verzendklaar
in strengen afgeleverd.
Verbeteringen van het productieproces
Als gevolg van de wereldcrisis stagneerde
de wereldhandel aan het eind van de jaren twintig. Hoewel de
vraag naar kunstzijde nog steeg, daalden de prijzen van het
garen tot onder de kostprijs waardoor rationalisatie van het
productieproces noodzakelijk was. (in 1920 kostte kunstzijde f.
32, - per kilo, in 1932 was de prijs gedaald naar f. 2, - per
kilo) Om de winstmarge te verbeteren zochten technici naar een
methode om de draden dunner te maken. Hiervoor werd in 1928 het
strekspinprocédé ontworpen. Tijdens dit proces werden de
gesponnen draden opgerekt zodat ze dunner en sterker werden dan
voorheen.Tussen 1931-1933 werd het spoelproces verbeterd waarbij
het wasmiddel van binnenuit door het garen op geperforeerde
spoelen werd geperst. Nu werd de zijde volledig gebleekt op de
spoelen.Door de automatische conesmachines werden veel
werkneemsters overbodig.
Over de
jaren 1926 en de jaren na 1930 zijn geen gegevens over het
aantal vrouwen dat werkzaam was bij de ENKA beschikbaar.
Reacties van overheden en de bevolking
De Exonerende Landen in Wageningen maakten
vanaf november 1919 bezwaar tegen de kunstzijdefabriek. In een
brief van 28 november 1919 schreef deze instantie aan het
gemeentebestuur van Ede: “De directie van de
Kunstzijdefabriek heeft, alvorens tot aankoop van de terreinen
voor de nieuwe fabriek over te gaan advies gevraagd op welke
wijze de lozing van afvalwater het best mogelijk zou zijn. Zij
was voornemens dit water langs de bermsloot door de ‘Maanen’
naar Veenendaal te leiden. Men kreeg te horen dat dit niet
toelaatbaar was omdat, overeenkomsten uit 1714 en 1726 verbieden
vreemd water in de waterlossing te laten, terwijl de polders
verder overbelast zullen worden.” Verder werd gewezen op het
feit dat de directie van de fabriek de besprekingen plotseling
had afgebroken.
Op 26 mei 1920 legde de Nederlandse
Kunstzijdefabriek een plan voor aan B & W van Ede, voor een
waterafvoer die rechtstreeks vanaf de fabriek naar de Kade ( een
waterloop die uitmondde op de Grift ) zou lopen.
De Exonerende Landen
vroegen op 7 oktober 1920, aan de Gedeputeerde Staten van
Gelderland om opheldering omdat aan de fabriek een
hinderwetvergunning was verleend, zonder dat voor de lozing van
het afvalwater een leiding was aangelegd. Men was verbaasd over
het feit dat noch de poldermeesters ‘Maanen’en ‘Veldhuizen’,
noch het gemeentebestuur, hen hiervan in kennis hadden gesteld.
Men verlangde een streng onderzoek en het wederrechterlijk
stilleggen van een afvoerleiding. De Poldermeesters van ‘Maanen’
en ‘Veldhuizen’ stuurden 30 augustus 1921 een brief aan G.S. met
de mededeling dat de invloed van de afvoer van de ENKA gering
zou zijn. In deze brief werd tevens vermeld dat de
poldermeesters alle vertrouwen hadden in het overleg van de
gemeente met het RIZA over de hinderwetvergunning van de
fabriek. Volgens de poldermeesters had de directeur van de
kunstzijdefabriek een reusachtig bassin ingedijkt op het
fabrieksterrein waar het fabrieksafvalwater ontdaan werd van
schadelijke stoffen. In tijden van droogte zou het fabriekswater
een uitkomst in plaats van een gevaar voor het algemene belang
zijn. In 1921 werd door de ENKA een vergunning aangevraagd voor
een brei-inrichting voor de verwerking van kunstzijde en de
daarbij behorende afzuiginstallatie. De vergunning werd 25
januari 1922 verleend. Hiertegen tekenden de Exonerende Landen
beroep aan. Zij stuurden aan de gemeente een afschrift van dit
beroep bij de Raad van State van 31 juli 1922. In een
beschikking van 29 september 1922 werd, aan de hand van het
beroep door de Exonerende Landen, de hinderwetvergunning die
door B&W aan de Kunstzijdefabriek was verleend, vernietigd. De
politie van Ede schreef 18 oktober 1922 aan de officier van
justitie in Arnhem dat de fabriek opnieuw een aanvraag voor een
hinderwetvergunning had ingediend.
Op 21 maart 1923 werd een definitieve
hinderwetvergunning verleend. Het probleem van de waterafvoer
werd in de onderzochte periode niet opgelost.
Besluitvorming in de gemeenteraad over
‘Vooruit’
De gemeenteraad van Ede gaf op 2 september
1919 het groene licht voor de komst van een kunstzijdefabriek in
Ede-Zuid. Voor de huisvesting van haar werknemers had de ENKA
huizen nodig die zij door oprichting van een
woningbouwvereniging wilde realiseren. De woningbouwvereniging
‘Vooruit’ was opgericht om optimaal gebruik te kunnen maken van
de financieringsmogelijkheden welke de Woningwet van 1901 bood.
Deze vereniging, was formeel onafhankelijk. Echter uit het feit,
dat alle bestuursleden, met uitzondering van de Edese huisarts
dr.Weyer, in dienst waren van de ENKA, blijkt dat er nauwe
banden waren met de kunstzijdefabriek. De ENKA zorgde voor het
stichtingskapitaal dat bestond uit de helft van het
aandelenpakket van f. 20.000, - .
Hartogs kocht op 13
november 1919, met geld van de ENKA, de grond voor de bouw van
het tuindorp. Ook de correspondentie over het bouwproject, het
screenen van toekomstige bewoners en problemen met bewoners van
het tuindorp, liepen via het hoofdkantoor van de ENKA in Arnhem.
Bij K.B. van 25 oktober 1919 werd de woningbouwvereniging
goedgekeurd.
Op het moment dat de gemeenteraad, akkoord
ging met de bouw van de arbeiderswoningen, werd tevens
vastgelegd dat de gemeente een deel van de exploitatiekosten van
de woningen zou vergoeden. Jaarlijks was hiervoor f. 20.000, -
nodig. Er werd afgesproken dat, in het geval de gemeente zorgde
dat bij verhuur van de woningen, de ENKA-werknemers als eerste
voor een woning in aanmerking kwamen, de kunstzijdefabriek de
helft van dit bedrag voor haar rekening zou nemen. Zoals blijkt
uit correspondentie uit de periode 1922-1939 regelde niet de
gemeente, maar ‘Vooruit’ de verhuur van de woningen. De kosten
voor de bouw van het tuindorp werden verdeeld volgens de
sleutel: ¾ rijk, ⅛
gemeente en ⅛ ENKA. Tegenover de forse aderlating voor de
gemeentelijke schatkist, stond een groot bedrag dat via de
belastingen naar de gemeente zou terugvloeien.
Dat niet alles verliep zoals de raad zich
had voorgesteld, werd duidelijk op het moment dat de
gemeenteraad op 16 november 1920 de aanvraag voor het eerste
bouwvoorschot aan de woningbouwvereniging ‘Vooruit’ behandelde.
Bij deze gelegenheid legde ‘Vooruit’ een contract ter tafel
met afspraken, waaraan zowel de gemeente als de ENKA zich diende
te houden. In het contract stond, dat ‘Vooruit’ belang hechtte
aan een tuindorp waarin het ordelijk toeging. In de woningen
mocht geen nering of bedrijf worden uitgeoefend, noch
alcoholhoudende drank verkocht. Het raadslid Oostwaard (Onafh.)
bracht in de vergadering naar voren, dat ‘Vooruit’ op dat moment
al zonder bouwvergunning met de bouw was begonnen. Tulp (AR)
verzocht inzage in de cijfers van ‘Vooruit’. Kroon (SDAP)
protesteerde tegen de bepaling dat de ENKA de huur mocht
opzeggen aan ontslagen werknemers. Burgemeester Creutz merkte
op: “ het tuindorp wordt juist ten behoeve van de fabriek
gebouwd en niet ter voorziening van den woningnood”.
Bovendien ligt er niets onregelmatigs in dat, wanneer een
arbeider niet meer op de Kunstzijdefabriek werkt, hem de huur
wordt opgezegd. De Kunstzijdefabriek verleent toch niet voor
niets 50% van het bedrag van het exploitatietekort”. Voor de
bouw van winkels wilde de raad geen geld beschikbaar stellen.
Uiteindelijk werd het voorstel aangenomen met vijftien tegen
twee stemmen.
In 1922 stelden de raadsleden vragen over
de kwaliteit van de woningen van het eerste complex en bovendien
vroeg de raad zich af of er wel een bouwvergunning was verleend.
De burgemeester meende dat er mondeling al toestemming was
verleend voor de bouw van halfsteense muren, echter hij vond
wel, dat ‘Vooruit’ de bouwaanvraag voor het tuindorp snel moest
indienen. De goedkeuring voor het voorschot van het tweede
complex werd na enige discussie verleend. Een aantal raadsleden
vond dat de ENKA de bouw zelf wel kon betalen. Van Voorthuizen
stelde dat Ede voor de komst van de fabriek welvarender was. De
Klein was van mening dat de vestiging van de ENKA welvaart
betekende voor het dorp. Van Hunnik noemde extra
belastinginkomsten en de toegenomen werkgelegenheid als
voordelen die de fabriek had gebracht. Uiteindelijk werd het
voorschot verleend met acht stemmen voor en zes tegen.
In 1924 werd de vergunning aangevraagd
voor de bouw van de laatste 70 woningen van het tweede complex.
Tijdens de vergadering van 30 juli 1924 behandelde de raad de
agitatie in de locale pers waarin “Vooruit’ werd beschuldigd van
betalingen waarvoor geen voorschot was verleend. De aantijgingen
in de krant werden voor een deel ontzenuwd al was burgemeester
Creutz van mening dat ‘Vooruit’ met de aanleg van een
spoorlijntje naar de bouwplaats en de bouw van een directiekeet
(ondanks een verbod van de gemeente), onjuist had gehandeld.
Nadat de raad inzicht in de boeken van
“Vooruit” had gevraagd, vroeg de ENKA het stichtingskapitaal van
‘Vooruit’ terug, vervolgens deelde de ENKA aan de gemeente mee,
dat volgens de wet de schulden, die veroorzaakt waren door
uitgaven waarvoor geen toestemming aan de gemeente was gevraagd,
volgens de wet ten laste van de gemeente kwamen. De gemeente
ontving een brief van de ENKA met de mededeling dat de fabriek
een gunstige lening aan ‘Vooruit’ wilde verschaffen op
voorwaarde dat de laatste 70 woningen konden worden gebouwd. Het
raadslid Kroon (SDAP) merkte op: “het contract met de ENKA
zit zo handig in elkaar dat alle troeven in handen van de ENKA
zijn”. De
gemeente stond voor de keus, eigenaar worden van een
woningcomplex met zware schulden, of samen met de
kunstzijdefabriek de problemen oplossen. Men koos voor het
laatste en verleende alsnog toestemming voor de bouw van de
resterende woningen. In dezelfde vergadering werd een motie van
de SDAP aangenomen tegen de invoering van de volcontinudienst
door de ENKA. Uit alles blijkt dat de verhouding gemeente ENKA
zo nu en dan flink onder druk kwam te staan. Zo waren de
raadsleden over de weigering van Hartogs om forensenbelasting te
betalen, evenmin te spreken. Uiteindelijk werd deze kwestie, na
enkele processen via de Gedeputeerde Staten, opgelost.
In een discussie over de gevolgen van de
leegstand bij ‘Vooruit’, met als consequentie dat de gemeente
een groter exploitatietekort moest bijpassen, merkte
burgemeester Creutz op: “Het bestuur van ‘Vooruit’ let streng
op dat zij woningen verhuurt aan goede betalers en nette
bewoners. Een gevolg is dat de woningen soms geruime tijd leeg
staan’.
Een definitieve oplossing voor de
financiële problemen van ‘Vooruit’ kwam in 1932 toen er een
afbetalingsregeling voor de tekorten van de woningbouwvereniging
met de AKU werd afgesproken. Van het exploitatietekort
voorafgaand aan de jaren 1929 en 1930 namen de gemeente en de
AKU elk f. 70.000, - voor hun rekening. Met ingang van de jaren
1929 en 1930 kwamen de tekorten op de exploitatie, indien niet
door het Rijk gedragen, tot een maximum van f. 20.000, - per
jaar, voor de helft ten laste van de gemeente en voor de helft
ten laste van de AKU.
Bij kritiek van de raadsleden op de
kunstzijdefabriek trad de burgemeester regelmatig op als
verdediger van de onderneming. Hij probeerde alle klachten over
de ENKA te weerleggen met verwijzing naar het raadsbesluit van 2
september 1919.
Bezwaren tegen de zondagsarbeid
Tijdens de raadsvergadering van 8 augustus
1924 diende het raadslid De Klein (SDAP) een motie in tegen de
invoering van de volcontinudienst door de ENKA. Hij vroeg
aandacht van raad voor het aanstootgevende gedrag van arbeiders
die op zondag met een broodtrommel achterop hun fiets tussen de
kerkgangers naar hun werk fietsten. De motie van De Klein werd
aangenomen. In de vergadering van 30 september 1924 kwam deze
kwestie opnieuw aan de orde. De raad stemde in met een verzoek
van de Edesche Bestuurdersbond aan het Ministerie van Arbeid.
In dit schrijven werd een herziening gevraagd van het
werktijdenbesluit, waarbij zondagsarbeid was toegestaan. De raad
verzocht om de verleende vergunning voor de volcontinudienst per
1 oktober 1924 in te trekken met als argument dat de invoering
van zondagsarbeid grote ontstemming en verbittering had gewekt
zowel bij de betrokken arbeiders, als bij een groot deel van de
bevolking van Ede. Het raadsvoorstel werd met tien tegen vijf
stemmen aangenomen. Over de zondagsarbeid bij de ENKA in Ede
werden zelfs kamervragen gesteld. Uiteindelijk hadden de moties
geen effect omdat bleek dat zondagsarbeid volgens de wet was
toegestaan.
Stankoverlast
Meer dan een jaar na het begin van de
productie, op 1 januari 1922, kreeg de ENKA, na een aantal
beroepsprocedures, op 21 maart 1923 een hinderwetvergunning. Dat
de inwoners van Ede niet gewend waren aan stank van fabrieken
blijkt uit de klachten die vooral in de beginperiode met grote
regelmaat in de gemeenteraad werden besproken. In de loop van de
jaren twintig protesteerden voornamelijk inwoners van Bennekom
en Wageningen tegen stankoverlast. Dit is waarschijnlijk een
gevolg van de windrichting. Bij noordenwind hadden vooral
bewoners van Bennekom en Wageningen last van stank. In de jaren
twintig waren er voor Ede-dorp minder problemen omdat die delen
van het dorp waar zich bij zuidenwind stankproblemen konden
voordoen, nog grotendeels onbebouwd waren. Ondanks deze gunstige
ligging was er in 1928 een anti-stankactie van de V.V.V. die
aangaf hoe hinderlijk de stank voor de inwoners van Ede was.
Vanaf 1932 kwamen de klachten van ‘Het Herstellingsoord voor
Rijksambtenaren’ dat in 1922 naast het fabrieksterrein was
gebouwd.
Niet minder groot was het probleem van de
afvoer van vervuild slib en ander fabrieksafval. In 1923
beschikte de gemeente afwijzend op een aanvraag voor de bouw van
een vuilverbrandingsoven achter de fabriek. In de gemeenteraad
werd herhaaldelijk geprotesteerd tegen de vuilstort van de ENKA
op een terrein aan de Verlengde Maanderweg. Uiteindelijk werd de
vuilstort verplaatst naar de Op ten Noortlaan die parallel aan
de spoorlijn lag. Na een bespreking met de ENKA ging op 23 mei
1929 een brief uit van B&W waarbij geen bezwaar werd gemaakt
tegen de vuilstort. In 1930 voerden omwonenden een proces omdat
deze stort een ondraaglijke stank verspreidde. Door de
inrichting van een terrein in het Honslog (tussen Wekerom en
Ede), zou een eind komen aan de ellende van de vuilstort. De AKU
was het niet eens met de nieuwe locatie omdat de afstand vanaf
de fabriek te groot was. Het bedrijf bleef tot na de Tweede
Wereldoorlog gebruik maken van het terrein aan de Op ten
Noortlaan.
Maatregelen tegen de stankoverlast
Een andere kwestie was de afvoer van het
spoelwater van de fabriek. Dit water werd niet gezuiverd in de
nieuwe installatie, maar in de bassins op het fabrieksterrein.
Voor de afvoer van het spoelwater hadden de spoorwegen een
vergunning verstrekt voor lozing via de zuidelijke spoorsloot.
Het polderbestuur ‘Maanen’ en ‘Veldhuizen’ verleende 30 april
1920 een vergunning voor lozing via de buitenpolder. Tegen deze
vergunning protesteerde de Exonerende Landen in Wageningen.
Ondanks protesten werd de vergunning elke 5 jaar door het
polderbestuur verlengd. In 1921 was de directie van de ENKA er
nog van overtuigd dat zij het probleem van het afvalwater kon
oplossen zonder dat zuivering nodig was. Dit bleek echter een
utopie. Het warme water (30 graden) bleef een stinkende damp
veroorzaken.
Het Rijksinstituut voor Zuivering
Afvalwater deed in augustus 1922, in opdracht van de ENKA een
veldonderzoek bij 26 boeren in de Maanderbuurt. De boeren waren
goed te spreken: hun vee dronk het water zonder problemen, de
planten langs de sloot groeiden goed en soms spoelde een boerin
haar was in de sloot. Tijdens de raadsvergadering van 10
augustus 1928, antwoordde burgemeester Creutz aan de SDAP
raadsleden Poppe en De Klein: “Na proeven van het Ministerie
van Volksgezondheid is gebleken dat het slootwater vrij is van
zwavelkoolstof en zuurstof.” De burgemeester meende dat
zonder het afvalwater van de ENKA de doorstroming in de sloot
minder gunstig zou zijn. De stankproblemen werden in de
onderzochte periode niet opgelost. Klachten over verlaging van
het grondwater als gevolg van het onttrekken van grote
hoeveelheden water aan de bodem, bleken ongegrond.
Reacties van de inwoners van Ede op de
komst van de fabriek
In de notulen van de kerkenraad van de
Nederlands Hervormde Kerk werden in de onderzochte periode geen
toespelingen gevonden op de komst en de aanwezigheid van de ENKA
in Ede. Wel werd in deze jaren de dooppraktijk in de Hervormde
Kerk herzien. Trouwe kerkgangers werden direct toegelaten tot de
doop, minder trouwe lieden moesten wachten op de beslissing van
de kerkenraad. Aan mensen die nooit in de kerk kwamen werd de
doop geweigerd. De hervormde predikant Japchen, die vanaf 1923
in Ede stond, trok in zijn preken fel van leer tegen de invloed
van de moderne tijd. Sport, toneel en vrouwen met kort haar en
lichte kousen waren voor hem uitingen van verderf. Als
verklaring voor deze nieuwe koers noemen zowel Van de Bank als
Nijenhuis de komst naar Ede van bewoners met moderne ideeën. In
de onderzochte periode werd door leden van de gemeenteraad, die
zitting hadden in de kerkenraad, herhaaldelijk geprotesteerd
tegen de handelwijze van de fabriek. Vooral de invoering van de
continudienst en het sporten op zondag door de
fabrieksverenigingen was deze raadsleden een doorn in het oog.
In een artikel in ‘De Spindop’ schreef
Jhr. Van den Bosch dat de houding van de bewoners van Ede
tegenover de fabriek niet altijd sympathiek was. Zo memoreerde
Van den Bosch dat een autoriteit van het polderbestuur hem
toebeet dat hij zoveel hem mogelijk zou tegenwerken in de hoop
dat de fabriek er niet zou komen. Als deelnemer aan een polemiek
in de plaatselijke pers in 1920 bracht Van den Bosch naar voren
dat de bouw van woningen zou worden gedekt door de inkomsten- en
tantièmebelasting. Bovendien lag het inkomen van de employee’s
die zich in Ede vestigden, hoger dan van de andere
belastingbetalers. Landarbeiders die een nieuwe werkkring in de
fabriek vonden, waren tevreden omdat zij ook in de winter vast
werk hadden. Zo bedankte een vader van een jonge werkloze
burgemeester Creutz schriftelijk voor de komst van de
kunstzijdefabriek. Eind jaren dertig was de bevolking van Ede
verzoend met de aanwezigheid van de fabriek. Ter gelegenheid van
het 25-jarige bestaan van de ENKA werd in 1938 aan de grootste
werkgever in de gemeente een monumentale bank aangeboden.
Positieve en negatieve berichten in de
kranten
In Edes Nieuws- en advertentieblad van 20
juni 1920 stond een beschrijving van de bouw van de
kunstzijdefabriek. Aan het eind van het artikel was een lofzang
opgenomen op het grote bouwwerk “dat in zijn buitengewone
omvang van grote betekenis zou zijn voor de krachtige
ontplooiing van de Nederlandse industrie”. Een voorbeeld van
angst voor vreemdelingen is een artikel in de rubriek
‘Wekelijkse Wandelingen’ in Edes Nieuwsblad. Hierin schreef de
vaste columnist: “Erger wordt het als het door deze politiek
is dat door de goedkeuring van een voorschot aan ‘Vooruit’
vreemdelingen worden gelokt die zich vestigen zonder aan de
gemeentelijke belastingen bij te dragen ervan uitgaande dat zij
toeslag op hun huishuur ontvangen”. R. Feenstra schreef in
‘De Telegraaf’ in 1925 een positief artikel over “Het
Nederlandse Lyon”. De columnist van de Edese Courant schreef in
1929 een stukje over stank. In zijn artikel memoreerde hij de
geschiedenis van de ‘enkastank’ en beschreef de protesten die
tot een grote verbetering leidden. Hij is van mening dat: “Hoewel
de stank niet geheel is weggenomen, de ingezetenen wel iets over
mogen hebben voor de grote voordelen die deze industrie met zich
meebrengt.” Op 17 oktober 1931was in het Edes Nieuws- en
Advertentieblad een negatief artikel opgenomen over de leegstand
bij ‘Vooruit’.
De werknemers van de
kunstzijdefabriek
Rekrutering van de
werknemers
Voor het werk in de nieuwe fabriek werden
ongeschoolde arbeiders uit de directe omgeving
aangetrokken.Vaklieden en toezichthouders waren in Ede zo
schaars, dat de ENKA ze rekruteerde via arbeidsbeurzen en
advertenties. Vrouwen en meisjes voor het productiewerk kwamen
via werfagenten naar Ede. Bovendien werd al snel in heel
Nederland bekend dat in Ede een grote fabriek werd gebouwd waar
veel arbeidskrachten nodig waren. Dit geruchtencircuit lokte
sollicitanten uit alle delen van het land naar Ede.
De ENKA deed bij gemeenten van herkomst
navraag naar de antecedenten van de vakarbeiders en het
toezichthoudende personeel. Tot 1928 werden de vrouwelijke
werkneemsters gescreend door inspectrices van de fabriek. Zij
bezochten de ouders van de sollicitantes en informeerden in
café’s naar het gedrag van de bezoeksters.
Het onderzoek was
niet bedoeld als test voor het werk in de fabriek. De ENKA wilde
ouders ervan overtuigen dat hun dochters met ‘nette’ meisjes
samenwerkten en moest bovendien rekening houden met de publieke
opinie in Ede. Ondanks alle inspanningen bleef de ENKA kampen
met een tekort aan vrouwelijke arbeidskrachten. Een poging om
gezinnen met veel dochters naar Ede te halen had evenmin
succes. Midden jaren twintig werd er toe overgegaan om meisjes
tussen 15 en 19 jaar als groep te rekruteren. De eerste meisjes
waren afkomstig uit Drente en woonden zonder veel toezicht in
het ‘Parkhotel’. Er ontstonden problemen met aan de noordkant
van het station gelegerde militairen met het gevolg dat de ENKA
dit experiment staakte. Hierna kwam een groep van vierenveertig
Rooms Katholieke meisjes uit Limburg. Ook zij werden in het
Parkhotel ondergebracht waar zij onder toezicht kwamen te staan
van de Zusters van de Heilige Jozef uit Amersfoort. Omdat ook
deze proef mislukte, werden er meisjes uit Duitsland gehaald.
Blijkbaar hadden zij
minder moeite met het strenge regime, zij bleven tot het
internaat in 1932 werd opgeheven. Hoewel de internaatmeisjes maar een klein deel van het
totale aantal vrouwelijke werkneemsters vormden, was de ENKA
kennelijk bereid dit meisjespension zo lang mogelijk in stand te
houden.
In de loop van de jaren twintig was de
ENKA genoodzaakt meisjes uit dorpen en steden tot op grote
afstand van de fabriek te rekruteren. Met bussen van de EVA werden ze dagelijks vanuit 120 bestemmingen naar Ede
gebracht. Elke dag kwam ook nog een groot aantal meisjes per
spoor met de zogenaamde ‘meisjestreinen’. Ondanks alle
maatregelen bleef er een groot gebrek aan vrouwelijke
werkneemsters. In Ede waren in 1928 in totaal 3200
werkneemsters werkzaam, waarvan er 2800 van buiten het dorp
kwamen. Het tekort was structureel omdat in deze periode het
verloop onder de meisjes groot was. Elke maandag stonden 200
sollicitantes aan de poort. De meisjes werden na een korte
sollicitatieprocedure gekeurd en aangenomen.
De huisvesting van de werknemers van de
fabriek
In de eerste helft van de twintigste eeuw
was huisvesting van fabrieksarbeiders in de nabijheid van de
fabrieken voor de werkgevers van groot belang. Lange reistijden
kwamen de arbeidsproductiviteit niet ten goede en bovendien was
sociale controle eenvoudiger als werknemers in de directe
omgeving van de fabriek woonden.
Los van de oprichting van de
woningbouwvereniging ‘Vooruit’, regelde Hartogs persoonlijk de
huisvesting voor de werknemers van de nieuwe fabriek. Om in de
behoefte aan woningen voor het hogere kader te voorzien, kocht
Hartogs middenstandswoningen aan de Berkenlaan, enkele villa’s
in het ‘Park Maanen’, villa’s aan de Stationsweg, één villa aan
de Reehorsterweg en twee villa’s aan de Bennekomseweg. Voor het
middenkader bouwde de ENKA woningen langs de Parallelweg. Met de
aankoop van het Parkhotel in 1920 kreeg Hartogs de beschikking
over kantoorruimte en twintig kamers. Hier werd tijdens de bouw
van de fabriek een deel van de bouwarbeiders gehuisvest. In
dezelfde periode kocht Hartogs zesendertig arbeiderswoningen aan
de 1e en 2e Parkdwarsweg. Deze woningen
hadden geen waterleiding, terwijl het toilet en een wasruimte
buiten de woningen waren geplaatst. In 1921 had Hartogs op een
veiling het jachthuis de ‘Reehorst’ gekocht waar
ENKA-medewerkers tijdelijk onderdak vonden. De Raad van
Commissarissen verleende Hartogs in 1926 machtiging om de
woningen aan de 1e en 2e Parkdwarsweg te
renoveren alvorens ze te verkopen. Uiteindelijk werden de
woningen na de renovatie nooit verkocht.
Woningen
aan de Parallelweg/Dr. Hartogsweg, Bron: 25 jaar Marnixcollege
in Ede.
Door de komst van de ENKA en de oprichting
van ‘Vooruit’ (299 woningen), werd het woningareaal van het dorp
flink uitgebreid. In 1925 waren ongeveer 360 woningen direct of
indirect in het bezit van de ENKA dit was 20,15% van de
woningvoorraad in Ede op dat moment.
Inwoners van Ede in relatie met de
woningvoorraad in het dorp.
|
jaren |
voor 1906
|
1906/1914 |
1915/1919 |
1919/1925 |
1925/1930 |
1930/1947 |
|
Inwoners
van Ede |
4023 |
6140 |
7595 |
10234 |
12874 |
19369 |
|
woningvoorraad Ede |
504 |
830 |
928 |
1736 |
2329 |
3428 |
|
inwoners
per woning |
8 |
7,4 |
8,2 |
5,9 |
5,5 |
5,7 |
|
woningvoorraad Ede-Zuid |
33 |
112 |
118 |
464 |
533 |
648 |
|
woningvoorraad Ede-Zuid |
1,50% |
7,40% |
7,90% |
3,75% |
4,40% |
5,30% |
|
in
procenten van Ede |
|
|
|
|
|
|
Een
overzicht van de woningvoorraad en de inwoners van Ede
1906/1947.
De bouw van het tuindorp ‘Vooruit’
Aan het begin van de 20e eeuw
waren tuindorpen in Europa populair als alternatief voor de
overvolle arbeiderswijken die in de 19e eeuw in de
steden waren gebouwd. De tuinstad was een idee van Ebenezer
Howard die de voordelen van de stad en het platteland probeerde
samen te voegen tot een nieuw stadstype. Zijn tuinsteden waren
omgeven door groen met culturele en sociale voorzieningen in de
nabijheid van de woningen. De woningen werden op korte afstand
van de werkgelegenheid gebouwd.
Dat de nieuwe arbeiderswijk voor het
toekomstige ENKA-personeel in Ede-Zuid het karakter van een
tuindorp moest krijgen, was door Van Hunnik in de raad bedongen.
Hij wilde met de bouw van een tuindorp voorkomen dat in Ede een
situatie zou ontstaan als in Veenendaal waar fabrikanten
arbeiderswoningen van zeer slechte kwaliteit hadden gebouwd. De
burgemeester van Ede en Hartogs waren overeengekomen dat de
woningen in het tuindorp zouden worden gebouwd voor de
werknemers van de kunstzijdefabriek.
De opdracht voor het ontwerp van het
tuindorp ging naar het architectenbureau Eschauzier en Van der
Burgh. Jhr. J.M. Van den Bosch, die de leiding had over de bouw
van de kunstzijdefabriek, kreeg ook de supervisie over dit
project. De bouw werd in twee fasen uitgevoerd.In de eerste periode werden 159 woningen aan de oostzijde
van de Kerkweg gebouwd. In de tweede bouwfase werden de
resterende 140 woningen ten westen van de Kerkweg gerealiseerd.
De woningen in het eerste complex hadden een gevarieerde
architectuur met gesloten, verspringende gevelwanden, poortjes
over de stoep en een hofje op de helft van de Poortlaan. Het
Poortplein was de centrale ruimte van het hele complex. Alle
woningen hadden op de begane grond een woonkamer en een klein
vertrek als ‘mooie’ kamer. Op de bovenverdieping waren drie of
vier slaapkamers. In de ruime tuinen achter de woningen konden
de bewoners een moestuin aanleggen. Op deze manier werd het
inkomen aangevuld en had men de mogelijkheid om afleiding te
zoeken na de vaak monotone fabrieksarbeid.
In 1920 sprak het bestuur van ‘Vooruit’
met aannemer W. Geel over noodzakelijke bezuinigingen op de
bouw. Volgens de inspecteur generaal van Volksgezondheid ir.
A.M. Kuijsten, zou het Rijk medewerking verlenen aan de
bezuinigingen. Ook de gemeente gaf, in het kader van de
bezuinigingen, ontheffing van de bouwverordening. Besloten werd
dat de woningen zouden worden gebouwd met halfsteense muren
terwijl de deuren en de ramen niet werden geverfd maar gebeitst.
Verder werden van de zes winkels uit het oorspronkelijke plan er
maar twee, aan het Poortplein gerealiseerd, volgens de raad: “omdat
er toch al met de bouw ervan was begonnen”. Om het uiterlijk
van de nieuwe woonwijk te verfraaien schonk Hartogs namens de
ENKA f. 2000, - voor de aanplant van bomen.
Tijdens de raadsvergadering van 18
december 1922, waarbij de aanvraag voor het voorschot van het
tweede complex werd besproken, gaf Van Hunnik opnieuw te kennen
dat hij een soort tuindorp verlangde en geen “rijen van
woningen” zoals in het eerste complex werden gebouwd. Hoewel het
eerste complex al een tuindorp was, vond Van Hunnik dat het
geheel een te stedelijke uitstraling had. Hij kreeg bijval uit
de raad die ontevreden was over de gesloten gevelwanden, die
niet pasten in het dorpsbeeld. Na deze kritiek werd het ontwerp
van het tweede complex aangepast. Dit deel van het tuindorp
kreeg een open bebouwing in woonblokjes van twee of drie. De
woningen werden opgeleverd zonder kasten en schuurtjes.Ondanks
protest van Hartogs, kwam er geen behang op de muren en bleven
de vloerbalken onbewerkt. Zoals blijkt uit de notulen van
‘Vooruit’ waren er al snel veel klachten over het onderhoud van
de huizen.
Een deel van de woningen had een nat
closet. Huishoudwater en fecaliën werden afgevoerd naar zink- en
beerputten. De eerste vijftien jaren na de oplevering waren de
wegen in het tuindorp nog steeds niet bestraat, maar bedekt met
sintels. Dit had tot gevolg dat er bij hevige regenval
modderpoelen ontstonden. Aan het eind van de jaren dertig werd
in het eerste complex riolering aangelegd.
De huren van de woningen varieerden van f.
5,75 tot f. 8, - per week. Herhaaldelijk waren er protesten in
de gemeenteraad tegen de hoogte van de huren in het tuindorp.
Begin jaren dertig stelde het bestuur van ‘Vooruit’ een
onderzoek in naar de huren van woningbouw-verenigingen in Ede en
omgeving. Hoewel er geen grote verschillen werden aangetoond,
besloot ‘Vooruit’ de huren te verlagen. Met deze maatregel
hoopte men de leegstand te beperken. In de winst- en
verliesrekening van ‘Vooruit’ uit 1937 stond als reden voor de
slechte kwaliteit van de huizen: “Het complex werd gebouwd in
de allerduurste tijd, waardoor op de bouwkosten wel moest worden
bezuinigd”.
De bewoners van het tuindorp
Kort na de oplevering van de woningen
bleek, dat bij werknemers van de ENKA de animo voor een woning
in het tuindorp minder groot was dan verwacht. Van 1921 – 1924
woonden er vooral vakarbeiders. In de volgende jaren verhuisden
de vakarbeiders naar een woning in Ede-dorp en omgeving en werd
hun plaats ingenomen door ongeschoolde arbeiders.Tot 1925 kwamen vrijgezellen en gezinnen zonder kinderen
niet voor een woning in aanmerking. De woningen aan de Blokkenweg en de Parkweg, bestemd
voor het middenkader, waren niet in trek. Van den Bosch meende
dat zij vooringenomen waren geweest tegen de ‘Bouw’.
Screenen van de bewoners van het
tuindorp
Toekomstige bewoners werden gescreend door
het hoofdkantoor van de ENKA in Arnhem. Was een aanvrager ‘te
lui om te werken’, had hij een strafblad, een drankprobleem, of
een slordig’huishouden, dan kwam hij niet voor een woning in
aanmerking. Eén jaar na de oplevering van de eerste woningen
vroeg de gemeente aan ‘Vooruit’ om, “in verband met de
heersende woningnood ook aan niet-ENKA-personeel woningen te
verhuren”. Hartogs ging akkoord met dit verzoek onder
voorwaarde dat aan nette huurders werd verhuurd. Hij adviseerde
om de goedkopere woningen aan de ‘eigen mensen’, toe te wijzen.
Reservering van leegstand voor de ENKA vond hij ongewenst. Op
een verzoek van de gemeente Ede om inlichtingen over de
afwijzing van een nieuwe huurder was de reactie van ‘Vooruit: “Elke
woningaanvrage wordt met de meeste zorg onderzocht of deze wat
betreft: huurbetaling, bewoning of invloed op de verdere
bevolking ongewenst is. Aan hen die hieraan niet kunnen voldoen,
verhuren wij geen woning.” De zoon van raadslid De Klein
(SDAP) kreeg een woning omdat hij: “geen politieke neigingen”
had. Op verzoeken van de gemeente om voor armlastige inwoners
een woning beschikbaar te stellen, werd door ‘Vooruit’ afwijzend
gereageerd. In de jaren dertig, toen de leegstand zorgwekkende
vormen had aangenomen, werden aanvragen voor een woning, toch
bij herhaling afgewezen. Een verzoek van de gemeente Utrecht om
16 woningen beschikbaar te stellen voor sigarenmakers, werd
afgewezen omdat men ongunstige elementen in ‘de Bouw’
wilde vermijden. In dezelfde periode verhuurde ’Vooruit’ aan de
A.J.C. een woning omdat: “A. Roseboom de secretaris van deze
organisatie bestuurslid was van de Ziekenkas Ede en gunstig
bekend stond”. Ook aan de meisjespadvindsters werd een
woning verhuurd als vergaderruimte. Van 1 maart 1937 tot 11
april 1938 was aan het Poortplein een woning beschikbaar voor
bewoners aangewezen door het gemeentelijke armbestuur.
Herkomst van de bewoners van ‘Vooruit’
Van 1919 tot 1939 hebben in de woningen in
het tuindorp 960 gezinnen gewoond. Een aantal bewoners hield
kostgangers, al dan niet met toestemming van de ENKA. Aan de
hand van de namen van de hoofdbewoners, uit waarborgboeken van
‘Vooruit’, die werden vergeleken met het gemeentelijke
persoonskaartenarchief, konden herkomst en levensovertuiging
worden vastgesteld. Het persoonskaarten archief van de gemeente
Ede is een reconstructie van het oorspronkelijke archief dat in
1942 door brand werd verwoest. In het onderzoek kon 94,4% van de
bewoners van ‘Vooruit’ getraceerd worden. Om te voorkomen dat
door de rationalisatie van het productieproces een vertekend
beeld ontstaat, is 1930 als cesuur genomen.
Herkomst bewoners van ‘Vooruit’
ENKA/AKU en particulier
 
 
Opvallend is het relatief grote aantal
gezinnen van ENKA-werknemers uit Arnhem, Wageningen en Renkum.
In de gemeenten Renkum en Wageningen waren in de onderzochte
periode weinig arbeiderswoningen beschikbaar. Werknemers uit
Arnhem hadden wellicht ervaring opgedaan in de Arnhemse
kunstzijdefabriek.
Levensovertuiging Gemeente Ede
1909/1947
 
 
Verklaring tekens: div. diversen, ger. Gereformeerd, nh.
Nederlands Hervormd, rk Rooms Katholiek, bk.
buitenkerkelijk.
Levensovertuiging van de bewoners van
‘Vooruit’

Verklaring
tekens: div. diversen, ger. Gereformeerd, nh. Nederlands
Hervormd, rk Rooms Katholiek, bk.
Buiten
kerkelijk.
 
Vergeleken met de overzichten van de
gemeente Ede van 1909/1947, was het aantal rooms katholieke en
buitenkerkelijke bewoners in het tuindorp hoog. Nederlands
Hervormde gezinnen die afkomstig waren van buiten Ede vonden de
Hervormde kerk in Ede streng. Hoewel zij over het algemeen
ingeschreven bleven als lid, bezochten zij de kerk alleen bij
doop en trouw, in een aantal gevallen werden zij lid van een
ander kerkgenootschap.
Het verloop onder de bewoners van het
tuindorp was groot, een deel van de populatie verhuisde binnen
vijf jaar nadat zij de woning had betrokken. In de onderzochte
periode verhuisden ook relatief veel gezinnen binnen het
tuindorp.
Gedurende de jaren twintig was er veel
animo voor de woningen. Vanaf 1929 veranderde deze situatie. Als
gevolg van de economische crisis en de rationalisatie van het
productieproces vielen er ontslagen bij de ENKA. Een deel van de
bewoners van het tuindorp vertrok uit Ede, een andere categorie
bewoners droomde van een vrijstaand huisje met een stukje grond.
Op het moment dat, begin jaren dertig, in Ede-Dorp nieuwe
wijkjes werden gebouwd, verhuisden zij van het tuindorp naar een
nieuwe woning dichterbij het oude centrum van het dorp. In deze
periode was de leegstand soms 30%. Aan het eind van de jaren
dertig waren alle woningen in het tuindorp weer verhuurd. Uit
onderstaande grafieken blijkt dat bewoners die in beide periodes
uit het tuindorp vertrokken veelal naar Ede of Bennekom
verhuisden.
Een overzicht van het percentage
verhuizingen van 1922-1939


Door de verhuizingen binnen Ede mengden de
nieuwkomers zich met de oorspronkelijke bevolking van het dorp.
Of zich hierbij problemen hebben voorgedaan blijkt niet uit
politierapporten en de berichten in de plaatselijke pers.
In zijn proefschrift uit 1938 constateerde
Van Eck dat de ‘fabrieksgeest’ in het tuindorp oorzaak was van
de uittocht van bewoners. Men wilde in zijn vrije tijd niet aan
de fabriek herinnerd worden. Verder kwamen de halfsteense muren
waaruit de woningen waren opgetrokken het leefklimaat niet ten
goede. Hoewel dit waarschijnlijk goede redenen waren voor een
verhuizing, is de ‘slechte’ naam die Ede-Zuid tot ver na de
Tweede Wereldoorlog bij veel inwoners van Ede-Dorp had wellicht
de hoofdoorzaak van vertrek.
Disciplinering van de bewoners van
‘Vooruit’
Vanaf het moment dat de bewoners van het
tuindorp hun nieuwe woningen betrokken, waren zij verplicht
controle van een inspectrice te accepteren. De inspectrice werd
door de ENKA benoemd en controleerde of de woningen ‘netjes’
werden bewoond. In de jaren twintig en dertig was mejuffrouw
Meijerink inspectrice en aanwezig bij de bestuursvergaderingen
van ‘Vooruit’. Werd een woning niet volgens de regels bewoond,
dan kreeg de bewoner een waarschuwing. Na herhaalde
waarschuwingen kon een huurder uit zijn huis worden gezet. Op
het moment dat er grote huurachterstanden waren van huurders die
niet bij de ENKA werkten, controleerde mejuffrouw Meijerink of
deze bewoners al dan niet werkloos waren. Huurachterstanden van
ENKA-medewerkers werden met het loon verrekend. Voor huurders
die een beroep deden op de gemeentelijke armenzorg, zorgde de
gemeente gedurende dertien weken voor aanvulling van de huur. In
1938 werd deze gemeentelijke aanvulling beëindigd omdat de
nieuwe burgemeester weigerde garantieverklaringen af te geven
voor kandidaat huurders.
Uit gesprekken die ik met vroegere
bewoners heb gevoerd, kreeg ik de indruk dat zij de controles
van hun woningen niet als hinderlijk hebben ervaren. Eén van de
dames vond het zelfs een eer wanneer juffrouw Meijerink geen
aanmerkingen maakte op haar huishouding.
Om de brandveiligheid te vergroten
beschikte het tuindorp tussen 1926 en 1930 over een eigen
vrijwillige brandweer. Bij kleine branden ( schoorsteenbranden
kwamen vaak voor) verleende deze eenheid als eerste assistentie.
Bij grotere calamiteiten werd zij bijgestaan door
brandweerkorpsen van de ENKA en de gemeente. Het benodigde
materiaal was door de ENKA ter beschikking gesteld. Als gevolg
van de leegstand van de woningen, werd de brandweer in 1931
opgeheven.
Hoewel er in de gemeenteraad herhaaldelijk
werd gesproken over vernielingen in het tuindorp, waren in de
locale pers en in de politierapporten, de meldingen van
vandalisme in het tuindorp en in Ede-Dorp nagenoeg gelijk. Op
verzoek van woningbouwvereniging ‘Vooruit’ onderzocht hoofdagent
Van den Brink, de wijkagent van Ede-Zuid, in 1930 vernielingen
door jongeren in een woning van ‘Vooruit’. Hij bracht rapport
uit aan de woningbouwvereniging, die de ouders van de vandalen
in dop aansprakelijk stelde. De ouders betaalden
schadevergoeding en hiermee was de zaak gesloten.
In zijn onderzoek uit 1938 constateerde
Van Eck dat het ontwikkelingspeil van de populatie van het
tuindorp niet hoog was. Hij constateerde dat de gezinnen
individueel waren ingesteld, maar “wanneer de gewoonten van
een gezin niet overeenkwamen met het geijkte patroon, was er
ruzie.”
Het hofje in het eerste
complex anno 2007
Volgens Van Eck namen bewoners die
afkomstig waren van het platteland de stedelijke gebruiken van
hun buren over. Zij richtten hun huizen mooi in en hun kinderen
droegen schoenen en betere kleding dan voorheen. De kinderen van
vakarbeiders en toezichthouders gingen naar de ULO of naar de
ambachtsschool. Ondanks het onderlinge verschil in herkomst en
levensovertuiging waren veel bewoners van het tuindorp lid van
de ontspannings-verenigingen die op initiatief van de ENKA
werden opgericht.
Disciplinering en sociale zorg voor de
werknemers van de ENKA
Om beschadiging van de kunstzijde te
voorkomen waren orde en netheid in de kunstzijdefabriek van
groot belang. De werkruimten in de fabriek werden zorgvuldig
schoongehouden en de vrouwelijke werkneemsters waren verplicht
om witte jurken te dragen. Om beschadiging van de fijne garens
te voorkomen, werden de nagels van de meisjes één keer per
veertien dagen door een pedicure behandeld.
Het regime in de fabriek was streng.
Tijdens het werk mochten werknemers niet met elkaar praten,
gesprekken over politiek en de vakbeweging waren verboden, wie
de regels overtrad kreeg boete. Bezoek aan het toilet kostte één
cent, voor de schafttijd waren precies 20 minuten uitgetrokken
en kwam een werknemer te laat, dan betaalde hij of zij een
kwartje. De boetekas kwam ten goede aan een ondersteuningsfonds
voor zieke werknemers. In de bussen en de treinen die de
werkneemsters van en naar de fabriek brachten, had elk meisje
een genummerde vaste plaats.
Hartogs verwachtte van zijn personeel
honderd procent inzet. Hij controleerde alles, er mocht niets
gebeuren zonder zijn toestemming. Met de voorgedrukte
formulieren die voor alle aan- en verkopen (en voor de
verenigingsactiviteiten) moesten worden ingevuld, hield hij de
gang van zaken in het oog.
Door de introductie van verschillende
werktijden voor mannen en vrouwen, probeerde Hartogs onderling
contact tussen de werknemers van de fabriek te voorkomen. Dat
deze actie mislukte, blijkt uit het feit dat, in de onderzochte
periode, tussen de werknemers van de ENKA een flink aantal
huwelijken werd gesloten. Zelfs enkele meisjes uit het internaat
in het ‘Parkhotel’ trouwden met hun collega’s van de fabriek of
met inwoners van Ede die niet bij de ENKA werkten.
Alle bovenomschreven maatregelen dienden
een drieledig doel. Enerzijds probeerde de bedrijfsleiding door
een efficiënte bedrijfsvoering een goede naam als werkgever op
te bouwen, anderzijds werden er maatregelen getroffen die
kenmerkend waren voor het beschavingsoffensief dat gericht was
op de zedelijke verheffing van de mindere standen, last but not
least, probeerde de directie de productie zo hoog mogelijk te
houden.
Sociale zorg
De zusters van St. Barbara zwaaiden in het
Parkhotel de scepter over de fabrieksmeisjes. Met de directie
van de ENKA was afgesproken dat de meisjes, hoewel zij kostgeld
betaalden, verplicht waren om mee te helpen in de huishouding.
Volgens de ENKA directie was het belangrijk dat de
huishoudelijke capaciteiten van haar fabrieksmeisjes zo werden
ontwikkeld dat een goede opvoeding gewaarborgd was. Zelfs in hun
schaarse vrije tijd werden deze meisjes streng bewaakt.
Om de vrouwelijke werknemers
huishoudelijke vaardigheden bij te brengen, werden eind jaren
twintig in dorpen rond Nijmegen en in de Betuwe lessen in
kostuumnaaien gegeven.Voor meisjes die een cursus trouw
bezochten, droeg de ENKA bij in de kosten. Er was de directie
van de ENKA veel aan gelegen om de vooroordelen tegen
fabrieksmeisjes die bij veel inwoners van Ede leefden, te
weerleggen.
In de jaren twintig was de ENKA één van de
weinige fabrieken waar een meisje dat ongehuwd zwanger werd,
mocht blijven werken tot zeven maanden voor de bevalling. Een
meisje mocht, als ze ongehuwd bleef, op het moment dat haar baby
twee maanden oud was, haar werkplek weer innemen. Volgens een
ex-werkneemster was dit bijzonder sociaal. Bij geen enkele, haar
bekende fabriek werd zo goed voor een ongehuwde moeder gezorgd.
In 1917 stelde Hartogs aan de Raad van
Commissarissen voor om een pensioenfonds op te richten. Hoewel
het voorstel in principe werd goedgekeurd, liet de instelling
van een pensioenfonds tot mei 1929 op zich wachten. In dat jaar
werd op last van Hartogs door de ENKA een bedrag van f. 600.000,
- uit haar vermogen afgezonderd voor de stichting van een ‘ENKA
pensioenfonds’. Tot 1929 regelde de directie de zorg voor
weduwen, wezen en pensioengerechtigden. Voor werknemers die door
een ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt waren, vulde de ENKA het
loon aan tot 100%.
Van de werknemers van de ENKA werd
verwacht dat ze hun dochters naar de fabriek stuurden. Bovendien
waren zij verplicht om de geboorte van een kind bij de
burgerlijke stand en op het kantoor van de fabriek aan te geven.
Kinderen die op de verjaardag van Hartogs werden geboren kregen
de studiekosten na het lager onderwijs vergoed.
In de jaren twintig werd veel gedaan aan
zorg voor het personeel en maatregelen die de band met de
onderneming bevorderden.Op initiatief van Hartogs werden in Arnhem en Ede
fabrieksverenigingen opgericht waarvoor hij royaal subsidie
verstrekte. Hartogs, die zelf kinderloos was, had een zwak voor
de kinderen van zijn werknemers. In de jaren twintig werden in
de ‘Reehorst’ geweldige sinterklaasfeesten voor de kinderen van
het personeel gevierd.
De gezondheidszorg bij de ENKA
In de eerste jaren na de oprichting van de
ENKA waren er in Arnhem problemen met chemische stoffen en
zwavelverbindingen. Korte tijd na de opening van de fabriek in
Arnhem werd onder leiding van een huisarts een medische dienst
opgezet.
Tijdens de raadsvergadering van 8
augustus1924, stelde De Klein, (SDAP) in een motie tegen de
zondagsarbeid dat de atmosfeer in de fabriek in Ede zeer te
wensen overliet. Er zou sprake zijn van zenuwinzinkingen bij
jonge meisjes die moesten werken in een vergiftigde atmosfeer.
In Ede waren de arbeidsomstandigheden in
een aantal afdelingen inderdaad niet goed. Hoewel de werknemers
beschermende kleding droegen, was de lucht ongezond. De open,
met loog gevulde bakken waarin de cellulose werd gedrenkt, waren
gevaarlijk. Gassen die vrijkwamen uit de open spinmachines,
veroorzaakten oogproblemen bij de spinners. Door het afdichten
van de spinmachines en het plaatsen van afzuiginstallaties werd
het probleem van de ‘spinogen’ voor een deel opgelost.
Stan Poppe, in de jaren twintig
belastingontvanger in Ede, herinnerde zich dat munten die
afkomstig waren van de arbeiders van de ENKA zwart in plaats van
zilverkleurig waren. Hij vroeg zich af of het mogelijk was, dat
ook de longen van de arbeiders door de chemische processen waren
aangetast. Voor zover bekend is in de onderzochte periode geen
onderzoek naar de gezondheid van de werknemers in de
kunstzijdefabriek ingesteld.
In 1925 werd dr. Heimans bij de ENKA in
Ede aangesteld als bedrijfsarts met het recht een eigen praktijk
te mogen voeren. Op dat moment waren slechts enkele
bedrijfsartsen in Nederlandse bedrijven werkzaam. Heimans
leverde een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de
arbeidsomstandigheden van de werknemers.Voor het personeel van
de fabriek en voor particulieren organiseerde en verzorgde hij
EHBO-cursussen.
Niet alleen voor de werknemers van de ENKA
zette Heimans zich in, ook de inwoners van Ede hebben veel aan
hem te danken. Als één van de initiatiefnemers van het zwembad
leverde hij een belangrijke bijdrage aan de lichamelijke
opvoeding van de jeugd. Hij had bestuursfuncties bij de Edese
Scholenvereniging, en de Maatschappij Tot Nut van het Algemeen
in Ede. Mensen met talent, als de zoon van hoofdportier
Krebbers, stimuleerde
hij om een opleiding aan het conservatorium te volgen. Voor een
dochter van een werknemer zorgde hij dat ze het werk kreeg
waarvoor ze was opgeleid. Als bedrijfsarts was hij streng maar
rechtvaardig. Wie echt ziek was kon op zijn steun rekenen, een
ziekte voorwenden deed een werknemer maar één keer.
Omdat door oorlogshandelingen een groot
deel van het archiefmateriaal in Arnhem verloren is gegaan, was
het niet mogelijke inzicht te krijgen in gezondheidsproblemen
die mogelijk veroorzaakt werden door de ongezonde
werkomstandigheden bij de ENKA.
Cultuur
en ontspanning op initiatief van de ENKA
Het Jachthuis de ‘Reehorst’
In 1885 liet G.W. graaf van
Rechteren-Appeltern een villa in Zwitserse stijl bouwen op een
terrein van ruim zes hectaren aan de westkant van de Grintweg
van Ede naar Bennenkom. Op het moment dat de ‘Reehorst’ op 8
november 1921 werd geveild stond de villa al jaren leeg. De
kavel die bestond uit: “Het Groote huis met Koetshuis,
Stalling, Schuur, Erf, Tuin en Park, groot 2 hectaren en 25 aren
40 centiaren en bouwterrein en bos 4 hectaren en 49 aren”
werd gekocht door Hartogs en kwam zo in handen van de ENKA.
Een andere bestemming voor de
‘Reehorst’
In eerste instantie werd de ‘Reehorst’
gebruikt als huisvesting voor technici voor de nieuwe
kunstzijdefabriek die van buiten de regio waren aangetrokken.
Nadat deze werknemers met hun gezin een woning van ‘Vooruit’
konden betrekken, kreeg het gebouw een nieuwe bestemming.
Na een grondige restauratie werd de
‘Reehorst’ in maart 1925 in gebruik genomen als verenigings- en
ontspanningsgebouw voor het ENKA-personeel. Op de terreinen
achter de ‘Reehorst’ maakten de moestuinen plaats voor een
voetbalveld en een atletiekbaan. Een paardenstal deed dienst als
kleedruimte.
Het beheer van de ‘Reehorst’ kwam in
handen van een commissie bestaande uit drie personeelsleden van
de ENKA. Deze commissie regelde de verhuur van de lokalen. Zij
stimuleerde bovendien het club- en verenigingsleven voor het
personeel en beheerde de subsidies die de directie aan de
verenigingen verleende. Verder controleerde de commissie de ENKA-
verenigingen op het naleven van de algemene regels. Bij de
verenigingen mochten geen leden worden aangenomen die niet bij
de ENKA werkten, (met uitzondering van familieleden van de
werknemers). In de ‘Algemene bepalingen betreffende de
‘Reehorst’ stond: “Het gebouw met bijbehorende terreinen is
beschikbaar ter ontwikkeling en ontspanning van ENKA-personeel”.
Nieuwe en bestaande ENKA-verenigingen
maakten enthousiast gebruik van het verenigingsgebouw. Voor
personeelsleden van de ENKA werden verschillende cursussen
aangeboden.In de toneelzaal werden door de ENKA-verenigingen
culturele avonden en uitvoeringen gehouden.
Op 27 april 1925 verleende de gemeente aan
de ‘Reehorst’ een vergunning voor het geven van
bioscoopvoorstellingen. Voor de ENKA werknemers waren de
filmvoorstellingen een belangrijke vorm van vertier. Een
strijkje van ENKA-personeelsleden zorgde voor de begeleiding van
de ‘stomme’ films.
Uit de correspondentie blijkt dat het
gemeentebestuur ook vergunningen verstrekte voor een bal aan het
eind van een feestavond. Eind jaren twintig was een vergunning
op zaterdag geldig tot 12 uur. Zo gaf het cabaret Max van Gelder
ter gelegenheid van het viscose jubileum in 1927 een
voorstelling in de ‘Reehorst’. Voor het bal na de voorstelling
was aan de vergunning de mededeling toegevoegd: “in geen
geval later dan 12 uur”. Uit deze voorwaarde blijkt dat in
de gemeente Ede, aan het einde van de jaren twintig, nog streng
de hand werd gehouden aan de zondagsheiliging.
De verschillende ENKA verenigingen maakten
regelmatig gebruik van de ‘Reehorst’ voor feestavonden met ‘bal
na’. Aan een feestavond ter herdenking van het tweejarige
bestaan van de ‘Reehorst’ in 1927 werkten de volgende
verenigingen mee: de ENKA-Harmonie, het ENKA’s Mannenkoor, de
Toneelvereniging ENKA, de mandolineclub Çrescendo en de Ren &
Toerclub ENKA. Het bal na afloop duurde tot 12 uur.
De nieuwe ‘Reehorst’
Eind jaren twintig werd duidelijk dat de
‘Reehorst’niet meer voldeed aan de eisen die aan een modern
theater werden gesteld. Dr. Hartogs onderkende het probleem en
schreef tijdens een feestavond in 1929 op een muur van de
‘Reehorst’: f. 60.000, - goed voor de bouw van een
nieuwe ‘Reehorst’.
In 1930 werd het oude jachthuis
afgebroken. Hiervoor in de plaats kwam een moderne schouwburg
annex bioscoop. De nieuwe ‘Reehorst’ was een imposant pand met:
een bioscoop annex schouwburgzaal met 630 zitplaatsen, op
parterre een gymnastieklokaal met daarboven een muziek- annex
danszaal. Op de bovenverdieping bevonden zich verder een
schaakkamer en kleine zalen voor vergaderingen, cursussen en
lezingen. Het nieuwe restaurant met brede terrassen aan de
voorzijde, maakte de accommodatie compleet. In de schouwburgzaal
was een goede geluidsinstallatie, een toneel met een
regengordijn en een elektrisch brandscherm. De kleedkamers en
het toneel waren voorzien van de modernste snufjes. Voor de
filmprojecties was een moderne installatie aangeschaft. Volgens
de lokale pers was de ‘Reehorst’ de grootste schouwburg in de
omgeving en een aanwinst voor Ede. Voor het kaderpersoneel van
de AKU en belangstellenden van buiten, werden de tennisbanen en
de theetuin gerenoveerd.
Als gevolg van de economische crisis moest
er echter ook bezuinigd worden op de inrichting van de nieuwe
‘Reehorst’. Dankzij vrijwilligers kon de nieuwe ‘Reehorst’ toch
op 5 april 1930 met een groots feest worden geopend.
Voor de nieuwe ‘Reehorst’ werden de
algemene voorschriften betreffende de ‘Reehorst’ uit 1924 minder
streng gehandhaafd. De tennisbanen vielen zelfs geheel buiten
deze regeling. Kennelijk golden voor het hogere kader en hun
introducés andere regels.
Omdat, vanaf eind jaren twintig, als
gevolg van de reorganisatie bij de AKU, het personeelsbestand
terugliep, waren er minder activiteiten van de ENKA-verenigingen.
In de gemeente was echter grote behoefte aan accommodatie waar
verenigingen uitvoeringen en voorstellingen konden geven. Om een
exploitatietekort te voorkomen besloot de directie van de AKU de
‘Reehorst’ ook aan derden te verhuren. Vanaf dat moment was een
nieuwe vorm van beheer voor de ‘Reehorst’ noodzakelijk. De
exploitatie van het gebouw werd overgedragen aan de N.V.
Vereenigd Industrieel bezit No. 6. De aandelen van de ‘Reehorst’
bleven in handen van de AKU met de vermelding dat: “de
ontspanning van het AKU personeel niet in gedrang zou komen”.
Programmamering van de
filmvoorstellingen
In de geraadpleegde archieven is weinig
materiaal gevonden dat een compleet beeld geeft van de films die
in de onderzochte periode werden vertoond. In een interview in
de ‘Spindop’ noemde administrateur Teunissen, (in de jaren
dertig werkzaam bij de ‘Reehorst’), Jordaan films als ‘De
Jantjes’, voorts het Monster van Frankensteijn, films van
Charlie Chaplin en Russische films.
De voorstellingen werden nog altijd
muzikaal begeleid door het ENKA-strijkje. In de nieuwe
‘Reehorst’ werden films vertoond op zaterdag, zondag en
op maandag of dinsdag.
1e rij
balcon f. 0,75
Overige plaatsen balkon f.
0,50
Zaal f. 0,30
1930/1931.
Prijslijst van ‘De Reehorst’
In het nieuwe theater waren alle inwoners
van Ede welkom. In de voorgaande jaren was de kleine concertzaal
‘Buitenlust’, de enige accommodatie voor uitvoeringen en
voorstellingen. In ‘Buitenlust’ speelden de militaire
toneelverenigingen ‘Advendo’ en ‘Het Heidebloempje’ blijspelen
voor uitverkochte zalen. Volgens Nijenhuis was het Edese publiek
weinig gewend op cultureel gebied.
Uit wekelijkse advertenties in de lokale
krant van het Luxor filmtheater en Musis Sacrum in Arnhem,
wordt duidelijk dat de Edenaren vóór 1930 voor voorstellingen
van enig niveau, aangewezen waren op het culturele aanbod in
Arnhem.
Programmering van de toneel- en
amusementsvoorstellingen
Na de opening van de nieuwe Reehorst’ kon
het publiek intekenen op een abonnement voor een serie
voorstellingen die in de winter werden gegeven. In de jaren
dertig was er veel belangstelling voor deze vorm van amusement.
Elke week werden vanuit een auto, in de buitendorpen kaarten
voor de voorstellingen verkocht. Bekende toneelgezelschappen met
nationaal bekende acteurs en actrices traden op in het nieuwe
theater. Volgens de recensies in de locale krant waren deze
voorstellingen in de meeste gevallen uitverkocht.
In zijn interview in de ‘Spindop’ vertelde
Teunissen dat beroemde acteurs als Louis Saalborn, Fien de la
Mar, Johan Kaart en Aaf Bouber tot de vaste bespelers van het
‘Reehorst’ toneel behoorden. De ‘Reehorst’ was door de goede
accommodatie bij acteurs bijzonder populair.
Naast de ENKA-verenigingen maakte ook de
plaatselijke verenigingen gebruik van de nieuwe ‘Reehorst’.
Uitvoeringen en demonstraties werden opgeluisterd door een
bekende cabaretier of door de officiers toneelvereniging ‘De
Heideroosjes’. De ENKA jazzband ‘Mexicaanse Hond’ verleende
medewerking bij het traditionele ‘bal na’ van uitvoeringen en
voorstellingen van deze verenigingen.
Het zwembad
Voorbereidingen
Tijdens de raadsvergadering van 13
februari 1925 diende De Klein (SDAP) een motie in waarbij
B&W werden uitgenodigd voor een overleg met het Groene Kruis.
Onderwerp van dit gesprek zou de opzet zijn van een bad- en
zweminrichting in Ede, “waar de hele gemeente gebruik van kan
maken”. Op dat moment bestond er al een commissie van
particulieren, die ervan overtuigd was dat voor de stichting van
een zwembad offers moesten worden gebracht. Dinger (Onafh.), die
tevens voorzitter was van deze commissie, stelde voor om tevens
in de motie vast te leggen dat: “De raad van oordeel is dat
een bad- en zweminrichting gewenst is”. De motie van De
Klein werd aangenomen met 13 stemmen voor en de stemmen van een
deel van de behoudende raadsleden tegen. Ondanks alle goede
bedoelingen bleek in april 1926 dat het oprichtingscomité, onder
aanvoering van Dinger, de fondsen voor het nieuwe zwembad niet
rond kreeg. Een nieuw plan om de bouw van een zwembad te
combineren met een verenigingsgebouw voor de ijsclub, werd door
de leden van de ijsclub verworpen.
Dinger, zat niet bij de pakken neer. Hij
nam contact op met de directie van de AKU die zich welwillend
opstelde. De kunstzijdefabriek stelde, voor een gering bedrag,
een stuk grond aan de Parallelweg ter beschikking en bovendien
kreeg het comité de toezegging dat de ENKA gratis warm water aan
het zwembad zou leveren.
Op 21 februari 1930 dienden B&W van Ede
een voorstel in waarbij garantie van de raad werd gevraagd voor
de rente en aflossing van een obligatielening die door het
oprichtingscomité voor een zwembad was uitgeschreven. In de
begroting waren subsidies van de AKU en van Defensie opgenomen.
Het raadslid Heij (CHU) merkte op dat steun aan een zwembad in
Ede niet aan de orde kon zijn omdat de gemeente al steun
verleende aan een zweminrichting in Veenendaal. Uiteindelijk
besloot de raad, met vijftien stemmen voor en vier stemmen
tegen, dat geen garantie maar steun zou worden verleend aan de
oprichting van een zwembad. Uiteindelijk besloot de gemeenteraad
bij te dragen in de kosten van een exploitatietekort.
Tijdens een openbare vergadering van het
oprichtingscomité op 10 maart 1931, werden de plannen voor de
bouw van het nieuwe zwembad voorgelegd. Omdat het
exploitatietekort te groot zou worden, werd tijdens de
vergadering besloten voorlopig geen badafdeling in de plannen op
te nemen.
Men beschikte al over een flink
aandelenkapitaal en hoopte het resterende bedrag door obligaties
van f. 1000, - tegen 4% binnen te halen. Als compensatie voor
het gebruik van de grond en de levering van warm water zou de
AKU vijf obligaties van elk f. 1000, - ontvangen.
Tijdens de vergadering lag de tekening
voor het bad, ontworpen door architect Wiepking uit Ede, ter
inzage. Het bad bestond uit een L-vormige bak van gewapend beton
met een diep en een ondiep bassin van 25 x 15 meter. Een
springtoren en een lage duikplank maakten het zwembad compleet.
Consumpties zouden worden verkocht in een ‘verversingslokaal’
met op het dak van dit gebouwtje een ‘uitzichtterras’. Aan
weerszijden van het bad waren éénpersoons kleedkamers en twee
grote kleedkamers gepland. Aan de zuidkant werd een groot
grasveld voorzien dat dienst kon doen als speelweide.
De bouw van het zwembad
In april 1931 werd begonnen met de bouw
van het zwembad. Er werd hard gewerkt aan een bad dat voldeed
aan alle eisen van de Nederlandse Zwembond.
Op 11 juli 1931 opende de heer Dinger, als
voorzitter van het oprichtingcomité, onder grote belangstelling
het nieuwe zwembad. In zijn openingsrede dankte hij de directeur
van de AKU-Ede, de heer Plantenga die, zonder het belang van
zijn werkgever te schaden, alles had gedaan om de bouw van het
zwembad mogelijk te maken. Dinger was blij met de aanwezigheid
van de burgemeester en enkele raadsleden. Hij vond niettemin dat
de raad aarzelend te werk was gegaan bij het toekennen van
subsidie voor het nieuwe bad.
Bewoners van Ede die bang waren voor het
gebruik van het ENKA-water, stelde hij gerust met de mededeling,
“dat zuiver bronwater vanaf de fabriek door smetteloze buizen
naar het bad werd geleid”. Na het openingswoord speelde de
ENKA-harmonie een vrolijke mars en gaven de Nederlandse
topzwemsters Braun en Oversloot een duikdemonstratie vanaf de
springtoren.
Zwemlustige inwoners van Ede konden
gebruik maken van het zwembad van: 7 uur in de ochtend tot het
donker was, ‘s zondags tot 12 uur.
In de richtlijnen voor gebruikers van het
zwembad stond: “Zowel voor dames als voor heren is een
volledig badkostuum verplicht, enkel een zwembroek is derhalve
niet toegestaan.”
Hoewel sceptici hadden verwacht dat men in
Ede niet enthousiast zou zijn voor zwemmen, werd er sinds de
opening op grote schaal van het zwembad gebruik gemaakt. De
eerste officiële zwemwedstrijd in het nieuwe bad werd op 21
augustus 1932 gehouden.
Reacties van B&W en de raad op de
bioscoopwet van 1 maart 1928
Ondanks het enthousiasme van burgemeester
Creutz over de komst van de kunstzijdefabriek, werd in de
gemeenteraad van tijd tot tijd heftig gediscussieerd over de
veranderingen die zich in Ede voordeden. Zo maakte de
gemeenteraad zich grote zorgen over de invloed van
filmvoorstellingen op de plaatselijke bevolking.
Tot 1 maart 1928 mocht een film alleen met
goedkeuring van de burgemeester in het openbaar worden vertoond.
Volgens de nieuwe bioscoopwet was in de eerste plaats
toestemming nodig van B&W. Zij mochten alleen goedkeuring
weigeren indien: “de plaats waar de voorstellingen worden
gegeven niet voldoet aan de eisen van veiligheid, gezondheid en
zedelijkheid.” Vanaf deze datum mochten enkel films worden
vertoond die door een landelijke filmkeuringscommissie waren
goedgekeurd.
De gemeenteraad besprak 2 maart 1928 een
voorstel van B&W om in het kader van de nieuwe bioscoopwet, een
commissie in het leven te roepen die alle films en
reclameafbeeldingen aan een gemeentelijke nakeuring moest
onderwerpen. Het College achtte het niet gewenst om na de
centrale keuring in Den Haag alles vrij te geven. “Het zou
ook niet logisch zijn om, krachtens de politieverordening der
gemeentewet censuur uit te oefenen op toneelvoorstellingen en
niet op de maatschappelijk gevaarlijker bioscoopvoorstellingen.
Men diende rekening te houden met de oudere bevolking van Ede
die niet die ontwikkeling had als die van Amsterdam.”
Bovendien was het College van mening dat, wat voor Den Haag
geschikt was, nog niet voor Ede geschikt hoefde te zijn. Het
voorstel van B&W werd zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd
met de aantekening dat De Klein en Poppe (SDAP) tegen stemden.
In de raadsvergadering van 23 april 1928 werd aan de hand van
een brief van het Ministerie duidelijk dat de commissie geen
coupures mocht aanbrengen in films. In de raadsvergadering van
18 december 1931 uitte raadslid De Klein kritiek op de
samenstelling van de bioscoopcommissie. Hij vond het onjuist dat
mensen die zelf niet naar de bioscoop gingen, wel beoordeelden
wat anderen al of niet mochten zien.
De rol
van de ENKA bij maatschappelijke ontwikkelingen
De ENKA-verenigingen
De oprichting van verschillende
verenigingen, speciaal voor de werknemers van de ENKA, werd in
de eerste jaren vooral door Dr. Hartogs gestimuleerd. Zo mocht
de administratie van deze verenigingen door werknemers in
werktijd worden verzorgd. Wie zich verdienstelijk maakte voor
één van de clubs, kon rekenen op extra aandacht van de directie
wat vaak gepaard ging met promotie. Alle activiteiten moesten
wel aan Hartogs worden gerapporteerd. Wanneer de resultaten naar
wens waren, was hij gul met subsidies en aanvullingen van de
tekorten. Vooral de verenigingen die in de jaren twintig werden
opgericht, mochten zich verheugen in een grote belangstelling.
Vanaf 1929 ging het bergafwaarts met het ledental van de
ENKA-verenigingen. Omdat een groot aantal werknemers wegens de
rationalisatie van het arbeidsproces werd ontslagen, waren er
minder mogelijkheden om van dienst te ruilen voor
repetitieavonden. Een ander probleem was het feit dat alleen
werknemers van de ENKA en hun familieleden lid mochten worden
van de verenigingen. Dit had tot gevolg dat, in de loop van de
jaren dertig, een groot aantal verenigingen werd opgeheven. Het
postadres van de commissie verenigingen ‘Reehorst’ was directie
ENKA Arnhem.
De ENKA-Harmonie
Eén van de eerste verenigingen die door en
voor de medewerkers van de nieuwe kunstzijdefabriek werd
opgericht, was de ENKA-Harmonie op 6 juni 1924. De directie van
de ENKA zorgde voor de instrumenten en de uniformen van het
korps. De commissie ENKA verenigingen hield het gedrag van de
leden streng in het oog, zo werd in 1928 zelfs een orkestlid
geroyeerd omdat hij zich tijdens een uitvoering had misdragen.
Enkele jaren na de oprichting was het
orkest opgeklommen van de vierde naar de eerste afdeling fanfare
in de landelijke competitie. Regelmatig marcheerde de
ENKA-Harmonie vanaf de ‘Reehorst’ in de richting van het dorp
waar werd gemusiceerd in de tuin van Hotel Restaurant het ‘Hof
van Gelderland’, op het ‘Maanderplein’ of op de markt. De
verstandhouding met het Edesch Fanfarekorps, dat domicilie had
in het dorp, was niet best. Op een uitnodiging van de
ENKA-Harmonie voor een vergadering “om de onderlinge
verstandhouding te verbeteren” reageerde dit korps
afwijzend. De forse subsidie die door de ENKA-directie in de
vorm van uniformen en instrumenten aan de ENKA-Harmonie was
verstrekt, zorgde voor scheve ogen. Zelfs het vaandel van het
orkest was, nadat het was goedgekeurd, betaald door de directie.
De contributie was 5 cent per week.
In de jaren 1928 en 1929 ontving het
orkest uitnodigingen voor optredens van de plaatselijke VVV, de
Stichting Wolfheze en orkesten uit Utrecht en Arnhem. Reis-en
verblijfkosten werden door de directie vergoed. In 1929 werd een
uitstapje gemaakt naar het zusterbedrijf van de ENKA in
Oberbruch (DLD). Hier musiceerde het orkest op 11 en 12 mei in
de Turnhalle. Haar laatste concert gaf het orkest op 25 augustus
1932 in de verlichte tuin van Hotel ‘Welgelegen’ waar ook
Hartogs regelmatig overnachtte. Op 1 september 1932 werd het
orkest opgeheven wegens een krimpend ledental als gevolg van de
reorganisatie.
Intussen was op 1 juli 1932 in Ede-Zuid de
Edesche Harmnie opgericht. Een aantal muzikanten uit de
ENKA-Harmonie werd lid van dit orkest, dat de muzikale traditie
van de ENKA-Harmonie in Ede-Zuid heeft voortgezet.
ENKA’s mannenkoor
Bij de feestelijke opening van de
‘Reehorst’ in 1925 zong op de openingsavond een dubbel
mannenkwartet. Hoewel de zangers al een jaar hadden gestudeerd,
was hun optreden ver onder de maat. Voor de volgende twee
avonden vond het feestcomité de medewerking van dit
dubbelkwartet dan ook ongewenst. De zangers zaten niet bij de
pakken neer en besloten een mannenkoor op te richten. De animo
voor dit plan bleek zo groot dat het koor in korte tijd al
dertig leden telde. Op 30 januari 1925 werd het koor officieel
opgericht en kreeg de naam ENKA’s Mannenkoor. De dirigent, J.F.
van Zutphen, had grote moeite om de enthousiaste maar
ongeoefende zangers de eerste beginselen van de koorzang bij te
brengen. Echter, na een half jaar studeren besloot men om, in
samenwerking met de ENKA-Harmonie, een concertje te geven op de
tennisbaan achter de ‘Reehorst’. Dit eerste optreden werd een
succes en men besloot het repertoire uit te breiden. Op het
moment dat het koor een vaste kern had van 25 zangers, verleende
de directie van de ENKA financiële steun. Het koor studeerde
ijverig en werd één van de beste koren in de omtrek. De zangers
behaalden eerste en ereprijzen en klommen in korte tijd op van
de vierde naar de ereafdeling van de nationale competitie.
Tijdens de jaarlijkse
uitvoeringen was de zaal van de ‘Reehorst’ tot de laatste plaats
bezet. Bij gelegenheid van het tienjarige bestaan van het koor
in 1935, werd in Ede een zangconcours georganiseerd waaraan 45
verenigingen deelnamen. Voor zonen van de werknemers van ENKA
werd 10 december 1936 een jongenskoor opgericht dat 27 leden
telde.
De reddingsbrigade
Bij de ontploffing op 7 augustus 1925 in
de spinnerij van de fabriek waren drie doden, vier zwaar
gewonden en een aantal licht gewonden te betreuren. Op dat
moment werd de directie zich bewust van het nut van een goed
georganiseerde hulpverlening die bij ernstige ongevallen direct
kon ingrijpen. Op advies van de medische adviseur van de
Arbeidsinspectie werd onder leiding van de bedrijfsarts Heimans
op 1 januari 1927 een vrijwillige reddingsbrigade opgericht.
Vanaf het eerste moment was er grote belangstelling voor deze
vorm van hulpverlening. Omdat de ENKA een continubedrijf was,
werd de reddingsbrigade in de vorm van ploegendienst opgezet. In
elke ploeg moest een kern getraind zijn die bij alarm direct
hulp kon verlenen. In eerste instantie was een aantal werknemers
met een EHBO diploma en technische hulpmiddelen nodig. Omdat het
dorp Ede niet over voldoende ambulances beschikte, werden enkele
‘ENKA-bussen’ van de EVA aangepast voor gewondenvervoer.
De Reddingsbrigade bestond uit:
1. Een geneeskundige
groep 4. Een administratieve groep
2. Een technische
groep 5. Een vervoersgroep
3. Een
politiedienst 6. Een gasgroep
Onder leiding van dr. Heimans en de
verpleegkundige, zuster Thueré, eveneens in dienst van de ENKA,
werd de organisatie van de brigade ter hand genomen. Met
EHBO-cursussen werden de leden van de geneeskundige groep
geschoold. Regelmatig hield de brigade kleine en grote
oefeningen. In 1930 waren er 72 leden bij de reddingsbrigade
ingeschreven. De technische groep werd als hulpdienst opgenomen
in de organisatie van het Nederlandse Rode Kruis. Bij besluit
van het hoofdbestuur van het Rode Kruis van 20 november 1931
mochten alle groepen, inclusief de niet medische, het Rode Kruis
embleem dragen.
De Vereeniging Reddingsbrigade
Om de samenwerking tussen de leden van de
reddingsbrigade te bevorderen werd op 17 oktober 1930 een
vereniging opgericht met als doel:
a.
Het houden van ontspanningsavonden
b.
Het deelnemen aan wedstrijden
c.
Het geven van uitvoeringen
d.
Andere middelen die voor het doel bevorderlijk zijn.
Beschermheer van de vereniging was de heer
Plantenga, de directeur van de fabriek in Ede, erevoorzitter was
dr. Heimans. Jaarlijks waren er twee feestelijke gebeurtenissen:
een ontspanningsavond in de ‘Reehorst’ en een autotocht op
Tweede Pinksterdag. In 1938 waren er 85 personen ingeschreven
als lid van deze vereniging.
Mandolineclub ‘Cresendo’
De mandolineclub Çresendo’ opgericht op 4
maart 1925, kreeg subsidie voor de aanschaf van in totaal
vijftien instrumenten. Op 2 november 1927 gaf de club een
uitvoering met bal na in de ‘Reehorst’. De onkosten voor de
uitvoering bedroegen: een balvergunning f. 5,25, een
tapvergunning f. 10, - en de vergoeding van de jazzband ‘De
Mexicaanse Hond’ f. 23,25. In de jazzband speelden werknemers
van de ENKA. Bij de openingsavond van de nieuwe ‘Reehorst’ trad
de mandolineclub nog op, 23 januari 1931 besloot het bestuur de
club te ontbinden als gevolg van een gebrek aan leden.
ENKA atletiek-en voetbalclub
In april 1925 werd de ENKA atletiek en
voetbalclub opgericht. De directie betaalde f. 600, - aan
oprichtingskosten. Op 23 juni 1926 stonden 26 werknemers van de
ENKA op de ledenlijst. Een verzoek om toelating bij de
Nederlandsche Voetbalbond werd afgewezen omdat de vereniging nog
geen twee jaar bij de Arhemse bond speelde. In 1928 telde de
club slechts 30 leden en liet in juni van dat jaar verstek gaan
bij een wedstrijd wegens onvoldoende spelers. In 1929 kreeg de
vereniging het advies om te fuseren met de voetbalverenging van
de ENKA in Arnhem. De fusie ging niet door en de vereniging werd
opgeheven.
De Ren- en Toeristenclub
Uit de overgeleverde gegevens blijkt dat
deze vereniging niet goed heeft gefunctioneerd. Zij werd
opgericht op 7 juli 1925 en in november van dat jaar telde de
club 30 leden. De directie van de ENKA stelde de prijzen ter
beschikking voor de wedstrijden die de club georganiseerde. De
vereniging schreef op 4 februari 1927 aan de directie van de
ENKA dat de financiële positie van de club niet rooskleurig was.
De commissie ENKA-verenigingen ‘Reehorst’ schreef op 28 november
1927 aan het bestuur van de club dat de uitvoering beneden peil
was geweest. Verder werd opgemerkt dat de uitvoering te laat was
begonnen en dat er in de zaal geen kleine kinderen aanwezig
hoorden te zijn. Bovendien paste het optreden van de humorist
niet in de ‘Reehorst’. In juni 1928 hield de club een
wegwedstrijd waaraan niemand plezier beleefde. Als gevolg van
alle problemen besloot de directie: “in de toekomst worden
geen prijzen meer beschikbaar gesteld”. Op 6 juli 1928
werden de zaken overgedragen aan de commissie ENKA- verenigingen
in verband met opheffing van de vereniging.
ENKA kaatsclub
Speciaal voor medewerkers die afkomstig
waren uit Friesland werd 26 juli 1929 een kaatsclub opgericht.
Bij de oprichting werd vastgelegd dat de vereniging zou trachten
het materiaal zelf te vervaardigen en te bekostigen. De
vereniging nam met succes deel aan landelijke wedstrijden. Op
het sportterrein achter ‘Reehorst’ werden ook op zondag
kaatswedstrijden gehouden. Uit de correspondentie en berichten
in de locale krant, blijkt dat talrijke eerste prijzen werden
behaald. Op 1 januari 1935 werd de vereniging ontbonden in
verband met “de volcontinue arbeid op zondag waardoor de kans
om te oefenen onvoldoende is.” Ook bij deze vereniging
speelde hetzelfde probleem als bij de ENKA-Harmonie: geen
mogelijkheden meer om van dienst te ruilen.
ENKA toneelvereniging
Voor het kantoor en technisch personeel
werd 30 oktober 1929 een toneelclub opgericht. In de loop van
datzelfde jaar werd een uitvoering met bal na gegeven en werden
er voorstellingen voor het nieuwe seizoen gepland. De vereniging
werd al na twee jaar ontbonden wegens gebrek aan leden.
De contributies van de verenigingen waren
niet bestemd voor alle uitgaven, zij gingen in een spaarpot
waaruit bijzondere uitgaven werden betaald. Volgens een opgave
van nadelige saldi uit 1929, zorgde de ENKA dat tekorten werden
aangevuld.
De Jazz Band en het Reehorst
Orkest
In de jaren twintig begeleidde een
strijkje van ENKA werknemers de films in de ‘Reehorst’. Vanaf
1928 zorgde de Jazz Band ‘De Mexicaanse Hond’ voor de muziek
tijdens uitvoeringen met bal na. De band verleende ook
medewerking aan feestavonden van de diverse ENKA verenigingen.
Het ´Reehorst Orkest´ wordt ook in de correspondentie genoemd
als begeleidingsorkest van verschillende uitvoeringen en
evenementen. De instrumenten van het orkest werden door de ENKA
betaald.
Net als de ENKA-Harmonie die in de jaren
twintig problemen had met het Edesch Fanfarekorps, had ook de
Jazzband onenigheid over de oneerlijke concurrentie met, onder
andere dansschool Arntz uit Wageningen. De Jazz Band speelde
namelijk ook op evenementen die niet door de ENKA werden
georganiseerd.
ENKA dansclub ‘Ons Genoegen’
De dansclub ´Ons Genoegen’ werd in 1930
opgericht. Bij deze vereniging mochten ook particulieren lid
worden. Op 25 november 1930 verstrekte de burgemeester van Ede
een dansvergunning voor het jaar 1931 voor de zondagavonden van
zeven tot elf uur, mits op naam van de vennootschap gesteld. In
de bovenzaal van de ‘Reehorst’ werd elke zondagavond dansles
gegeven aan zowel medewerkers van de ENKA als aan particulieren
uit Ede. De dansvergunning werd verleend onder voorwaarde dat:
een ledenlijst in het lokaal waar gedanst werd aanwezig was, elk
lid in het bezit moest zijn van een door de inspecteur van
politie afgestempelde kaart waarop vermeld: naam en adres en
uren waarop werd gedanst, dat gekostumeerd dansen niet was
toegestaan zonder uitdrukkelijke vergunning, en verder dat
minderjarigen niet zonder schriftelijke toestemming van ouders
mochten dansen. Bij Koninklijk Besluit van 23 april 1933 werd
officieel toestemming verleend “tot dansen in eene voor het
publiek toegankelijke localiteit waarvoor vergunning of een
verlof A is verleend.” Redenen waarom de verenigingen
werden opgeheven
De belangrijkste reden voor het
teruglopende ledental van de verenigingen was de rationalisatie
van het productieproces en het feit dat enkel werknemers van de
ENKA en hun familie lid van een vereniging mochten worden. Er
waren minder werknemers nodig wat tot gevolg had dat er weinig
mogelijkheden meer waren om van dienst te wisselen voor een
repetitieavond. Volgens Van Eck was er ook wrevel bij de
werknemers over het feit dat personen die zich verdienstelijk
maakten voor een vereniging werden voorgetrokken in het bedrijf.
Verder was hij van mening dat de arbeiders na hun werk niet in
een vereniging in de fabriekssfeer wilden verkeren. Enkele
verenigingen bestonden maar een korte tijd om de eenvoudige
reden dat het bestuur niet goed functioneerde. Niet alleen
enthousiasme, maar ook een goed bestuur was nodig om een
vereniging tot een succes te maken. Uit de geraadpleegde stukken
blijkt dat er niet altijd sprake was van goed bestuur. Toch
blijkt dat vooral de inkrimping van het personeelsbestand de
belangrijkste oorzaak te zijn geweest voor het verdwijnen van de
verenigingen.
De speeltuinvereniging ‘Vooruit’
In de loop van de jaren twintig werd
duidelijk dat leegstaande woningen in het tuindorp steeds vaker
doelwit waren geworden van de vernielzucht van baldadige jeugd.
Zelfs de aangelegde fruit- en groetentuinen en het park rond de
‘Reehorst’, waren mikpunt van de jongeren.
Regelmatig klaagde de
politie bij ‘Vooruit’ over het gedrag van de tuindorpjeugd. Het
bestuur van ‘Vooruit’ vond het beschavingspeil van de bewoners
van het tuindorp niet in alle opzichten hoog. Wellicht zou de
opvoeding van de tuindorpjeugd buiten de schooltijd, een
bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de problemen.
Om zich op de hoogte te stellen van de
positieve invloed die uitging van een speeltuin, bezochten Jhr.
Van den Bosch en enkele bestuurders van ‘Vooruit’ in 1927 een
speeltuinvereniging in Amsterdam Betondorp (ook een tuindorp).
Het bleek dat na opening van de speeltuin in Amsterdam het
slechte gedrag van de jeugd, was afgenomen terwijl, mede als
gevolg van de aanwezigheid van een speeltuin, jeugdverenigingen
waren opgericht. Het bestuur van ‘Vooruit’ liet zich overtuigen
van de opvoedende taak van een speeltuin. Men besloot een
vereniging op te richten en toestemming te vragen voor de bouw
van een speeltuin aan directeur Hartogs van de ENKA. In een
brief van 4 augustus1927 ging Hartogs akkoord met de aanvraag en
stelde een krediet beschikbaar van f. 4782, -. De grond voor de
speeltuin huurde de ENKA van ‘Vooruit’. Hoewel de gemeente
aanvankelijk bij het overleg van de stichting van de speeltuin
werd betrokken - zij verleende f. 150, - per jaar subsidie,
werd in verband met de moeilijke financiële situatie van de
gemeente, de subsidie in 1933 weer ingetrokken.
Voor de aanleg van de speeltuin en het
vervaardigen van de speeltoestellen schakelde het bestuur de
ouders in. Op deze manier hoopte men de bewoners van ‘Vooruit’
gemeenschapszin en een verantwoorde vorm van vrijetijdsbesteding
bij te brengen. Een flink aantal vaders stak de handen uit de
mouwen en in korte tijd werd de grond bouwrijp gemaakt. De
kosten van de speeltoestellen en het hekwerk waren f. 4184, - ,
de rest van het geld, werd besteed aan beplanting en bemesting
van het complex.
Op 5 mei 1928 liepen de kinderen van het
tuindorp, voorafgegaan door de ENKA-Harmonie, in optocht naar de
nieuwe speeltuin. In aanwezigheid van burgemeester Creutz en de
commissaris van politie opende mevrouw Hartogs de eerste
speeltuin in Ede. Hoewel de speeltuinvereniging geen echte
ENKA-vereniging was, verleende het bedrijf jaarlijks een flinke
subsidie. In 1928 werd f. 1034,- en in 1938 f. 1400, -
verstrekt. Van de jaarlijkse bijdrage van de ENKA werd onder
andere een opzichter aangesteld.
Activiteiten van de speeltuinvereniging
Door de speeltuinvereniging werden
verschillende clubs opgericht. Vooral voor de mondorgelclub en
de operetteclub was veel belangstelling. De jaarlijkse
uitvoeringen met bal na in de ‘Reehorst’ waren de hoogtepunten
van het winterseizoen. De mondorgelclub speelde op een
behoorlijk niveau en behaalde op landelijke concoursen eerste-
en ereprijzen. In een gebouwtje op het speelterrein konden de
kinderen uit het tuindorp zich na schooltijd bij slecht weer,
vermaken met figuurzagen en handarbeid. Tijdens ouderavonden
werd het werk van de kinderen tentoongesteld.
Elk jaar in december vierde de vereniging
met meer dan 300 kinderen sinterklaasfeest in de ‘Reehorst’. In
de zomer werd een uitstapje met bussen van de ENKA/AKU gemaakt.
Eén reis ging naar Burgers Dierenpark in Arnhem, in een volgend
jaar ging de club naar Harderwijk. Ouders zorgden voor de
begeleiding van de reisjes. Zaterdag 11 mei 1933 was er groot
feest ter gelegenheid van het vijfjarige bestaan van de
speeltuin. De kinderen van de vereniging liepen in optocht naar
de ‘Reehorst’ waar ze samen met hun ouders genoten van een
toneelstuk met bal na, tot na twaalven. In 1936 deed de
speeltuinvereniging met een versierde wagen mee aan de optocht
ter gelegenheid van de Heideweek in Ede.
Scholen
Vereniging tot Stichting en
instandhouding van Scholen met den Bijbel
Dat er de Nederlandse Kunstzijdefabriek
veel aan gelegen was om het onderwijs in Ede-Zuid te stimuleren,
blijkt uit de medewerking die zij verleende aan de christelijke
school die 1 september 1921 in Ede-Zuid werd geopend. Op 1
oktober 1921 telde deze school negenentachtig leerlingen. Omdat
er nog geen schoolgebouw was, stelde de ENKA per 1 september
1921 de benedenverdieping van het ‘Parkhotel’ ter beschikking.
Voor een periode van ongeveer zeven maanden kon de school
gebruik maken van drie lokalen in het hotel voor een bedrag van
f. 50, - per maand. Het hoofd van de school kreeg met zijn gezin
tijdelijk onderdak op de bovenverdieping van het hotel. In een
brief van 18 juli 1921 deelde Dr. Hartogs aan het schoolbestuur
mee dat hij het Parkhotel niet had gekocht om dit te verhuren,
maar “wel in het belang van onze fabriek en haar aangestelden”.
Om deze reden had de ENKA per 1 januari 1922 het hotel nodig als
huisvesting voor werknemers van de fabriek. Verder deelde
Hartogs mee dat hij voor de bovenwoning geen huur wenste te
ontvangen. In plaats van huur vroeg hij het schoolbestuur om een
maandelijkse bijdrage van f. 25, - aan het Kinderziekenhuis in
Arnhem over te maken.
De bouw van een eigen schoolgebouw werd
energiek ter hand genomen. Op 15 maart 1922 werd de nieuwe
school aan de Muldersweg geopend. Hoewel met de ENKA was
overeengekomen dat de school per 1 januari 1922 naar een andere
locatie moest verhuizen, werd hieraan niet streng de hand
gehouden. Tot de opening van het nieuwe schoolgebouw kregen de
kinderen van Ede-Zuid les in het ‘Parkhotel’.
De Edesche Schoolvereniging·
Door de komst van het garnizoen in 1905 en
de vestiging van de kunstzijdefabriek in 1922, veranderde de
samenstelling van de Edese bevolking. Meer dan voorheen werden
er eisen gesteld aan het onderwijs in het dorp. Er kwam vraag
naar een goede onderwijsinstelling waar kinderen werden
voorbereid op het gymnasium of de HBS. Ouders die verandering
wilden, hoopten, dat dit via de plaatselijke MULO kon worden
gerealiseerd. Omdat pogingen om de gemeenteraad te overtuigen
van de noodzaak om de MULO aan te passen mislukt waren, zocht
men naar andere wegen om het onderwijs te verbeteren. Op 16
maart 1923 werd tijdens een vergadering van voorstanders van
neutraal onderwijs de Edesche Schoolvereniging opgericht.
Aanvankelijk gaf de start weinig problemen
echter, het bijeenbrengen van de wettelijk voorgeschreven
waarborgsom kostte meer moeite. Uiteindelijk was de Comenius
Bank te Den Haag bereid het benodigde geld te verstrekken onder
de volgende voorwaarden:
1. De
bank vroeg het recht een gedelegeerde te benoemen in het bestuur
van de Edesche Scholenvereniging.
2. De
vereniging werd verplicht een obligatie van f. 1000, - te nemen
in de Comenius Bank.
Aan de eerste voorwaarde voldeed de
vereniging met de benoeming van Professor Van Baren uit
Wageningen. Het invullen van de tweede eis gaf meer problemen.
Omdat het bestuur niet op korte termijn over een bedrag van
duizend gulden kon beschikken, deed men een beroep op de
directie van de ENKA. Het was immers ook voor het kader van de
kunstzijdefabriek belangrijk dat voor hun kinderen deze
verbetering in het onderwijsaanbod werd gerealiseerd. De ENKA
verstrekte het benodigde geld op voorwaarde, dat de
kunstzijdefabriek het recht kreeg de voorzitter van het
schoolbestuur te benoemen. Met algemene stemmen werd het aanbod
aangenomen. Jhr. J.H.M. Van den Bosch werd benoemd tot
voorzitter van het schoolbestuur.
Tijdens een vergadering van de Edesche
Schoolvereniging in april 1925, kwam de noodzaak van de
oprichting van een neutrale lagere school, in wezen bedoeld voor
de betere stand, aan de orde. In deze vergadering werd naar
voren gebracht dat er in Ede, door de opheffing van de school
van de heer Kostense, enkel de openbare lagere school aan het
Maandereind nog over was. Dit had veel ouders die hun kinderen
naar een neutrale school wilden sturen in de problemen gebracht.
Niet alleen het verdwijnen van een school was het probleem, men
verwachtte eveneens ongunstige resultaten van het bestaande
openbare onderwijs, “omdat daar kinderen uit verschillende
klassen der maatschappij bij elkaar werden gebracht”.
Bovendien vond men dat het geboden openbare onderwijs
geen aansluiting gaf op de HBS of het gymnasium in Arnhem.
Hoewel de gemeenteraad niet onwelwillend
stond tegenover de Edesche Schoolvereniging, waren niet alle
inwoners van Ede blij met de stichting van een nieuwe school.
Uit de ingezonden stukken in de lokale krant blijkt, dat er ook
tegenstanders waren. Vooral het elitaire karakter van de nieuwe
school was velen een doorn in het oog.
De standpunten van de voor- en
tegenstanders lieten aan duidelijkheid niets te wensen over. Een
kleine bloemlezing: “een eenheidsschool, door velen aanvaard,
door weinigen begeerd”, “betrokken ouders voelen
rechtstreeks belang bij de oprichting van een neutrale school”,
“de ENKA als schoolhoudster”.
Stan Poppe schreef: “Minder kwaliteit
hoger prijs. Dankzij de ENKA is de oprichting van een neutrale
opleidingsschool mogelijk. De vraag of deze school een
standenschool is, is niet aan de orde. Is het onderwijs aan de
nieuwe school beter dan het onderwijs aan de openbare school?
Meer geld besteden en geldelijk risico lopen voor bijzonder
onderwijs lijkt mij dwaas”.
Ondanks protesten in de gemeenteraad en de
kranten, stelde het gemeentebestuur een aantal lokalen in de
villa ‘Heesterheide’voor de nieuwe lagere school beschikbaar. In
september 1925 ging de school van start met 78 leerlingen en
twee leerkrachten.
Als gevolg van een explosieve groei van
het aantal leerlingen werd snel duidelijk dat nieuwbouw nodig
was. In recordtempo werden de nodige vergunningen en financiën
voor de bouw van een nieuwe school geregeld. Op 6 september 1926
opende de voorzitter van het schoolbestuur een nieuw
schoolgebouw aan de Spoorstraat in Ede. Onder de genodigden
waren burgemeester Creutz. en directeur Plantenga van de ENKA.
De school bleef groeien en in 1928 bleek dat twee lokalen extra
nodig waren om in het nieuwe schooljaar alle leerlingen te
bergen. Met algemene stemmen verleende de gemeenteraad subsidie
voor de bouw van twee nieuwe lokalen.
Gedurende de hele onderzoeksperiode mocht
de ESV zich verheugen in een welwillende houding van het
gemeentebestuur. Dokter Heimans werd in 1935 benoemd tot
voorzitter van het schoolbestuur. In de onderzochte periode
ontving de ESV elk jaar een aanzienlijk bedrag van de ENKA/AKU .
Het instituut Roelof Hart
Dit instituut is niet gesticht op
initiatief van de ENKA., er zijn echter wel lijnen naar Dr.
Hartogs. De heren Plooy en Kamerbeek die voorheen als leraar
verbonden waren aan een HBS aan het Roelof Hartplein in
Amsterdam, begonnen midden jaren twintig in Ede een particuliere
school voor jongens die, door concentratiestoornissen, niet in
het ‘normale’ middelbaar onderwijs pasten. Het tijdelijke
onderkomen van het instituut was het ‘Parkhotel’. Zoals vermeld
in het eerste hoofdstuk was Dr. Hartogs in de periode dat hij
aan zijn promotie werkte, leraar op dezelfde HBS als de heren
Plooy en Kamerbeek. Hoewel er geen schriftelijke bronnen zijn
overgeleverd over de relatie Hartogs-Plooy-Kamerbeek, lijkt de
hand van Hartogs in de huisvesting van het internaat
aannemelijk. Toen in 1937 de Stichting voor Gymnasiaal en
Middelbaar Onderwijs te Ede werd opgericht, werd ook het
instituut Roelof Hart in de plannen betrokken. Als huisvesting
voor de nieuwe school werden door de AKU bovenetages van
woningen aan de Parallelweg afgestaan. De school ging van start
met één eerste klas van het Gymnasium en één klas van de H.B.S.,
met in totaal ongeveer dertig leerlingen. Met de opening van het
nieuwe schoolgebouw in Ede-Centrum in 1953 kreeg de school de
naam het ‘Marnix College’.
De openbare lagere school aan de
Kerkweg.
De ENKA was niet betrokken bij de
oprichting van de openbare school aan de Kerkweg. Na de
invoering van de onderwijswet in 1920, stimuleerde het
gemeentebestuur vooral de bouw van christelijke scholen. Zoals
aangegeven in het tweede hoofdstuk werden kinderen uit het
tuindorp dagelijks met een bus van en naar de openbare school
aan het Maandereind gebracht. Om aan deze situatie een einde te
maken diende in de raadsvergadering van 11 januari 1929 een
verzoek van de Vereniging voor Volksonderwijs om zo spoedig
mogelijk over te gaan tot stichting van een openbare lagere
school in ‘Maanen’. In de raad ontstond discussie over de
gevolgen voor de openbare school aan het Maandereind. De heer
Van der Deure wees op het feit dat voorstanders van neutraal
onderwijs zich tot dusverre altijd loyaal hadden opgesteld
wanneer aanvragen voor bijzonder onderwijs werden ingediend. Hij
verwachtte een zelfde loyale houding van de voorstanders van
bijzonder onderwijs ten opzichte van de aanvraag voor de
oprichting van een school in ‘Maanen’. Hoewel de meningen over
de bouw van het gymnastieklokaal verdeeld waren, werd tijdens de
raadsvergadering van 8 maart 1929 met algemene stemmen een
krediet verleend voor de bouw van een openbare school annex
gymnastieklokaal in het tuindorp.
De
Openbare basisschool aan de Kerkweg anno 2007
De nieuwe school werd 7 januari 1930 in
gebruik genomen zonder feestelijkheden zoals dat soms bij
opening van bijzondere scholen gebruikelijk was. Door een
tegenstander van de school werd op de eerste schooldag een steen
door een ruit gegooid.
Ondanks de welwillende houding van het
gemeentebestuur ten aanzien van de ESV, kon de stichting van een
openbare lagere school in Ede-Zuid op veel minder medewerking
van het overwegend conservatieve gemeentebestuur rekenen.
Wellicht is het feit dat het bestuur van de ESV zich richtte op
het ‘betere’ deel van de Edese bevolking hieraan mede debet
geweest.
De dag- en avondnaaischool voor meisjes
en de R.K. bewaarschool
In verband met de reorganisatie bij de AKU,
waardoor het aantal vrouwelijke werkneemsters terugliep, werd
het contract met de Zusters van de H. Jozef, die het internaat
voor ENKA-meisjes in het ‘Parkhotel’ beheerden, per 1 januari
1933 opgezegd.
De parochie wilde de zusters graag voor
Ede behouden en huurde voor twee jaar de villa Overveen aan de
Stationsweg van de AKU. Om in hun onderhoud te voorzien dachten
de zusters een klein verpleeghuis in te richten en een dag- en
avond naaischool voor meisjes van elke leeftijd, te beginnen.
Eén zuster werd ingezet als wijkverpleegster, een andere zuster
werd de grondlegster van de RK bewaarschool in Ede. In eerste
instantie was de bewaarschool gevestigd in de bestuurskamer van
de RK lagere school. Al snel werd duidelijk dat villa Overveen
niet geschikt was om alle plannen te verwezenlijken. De naai- en
de bewaarschool werden een succes, het kleine pension annex
verpleeghuis kwam niet van de grond. Twee en een half jaar later
op 6 juli 1935, werd een nieuw zusterhuis annex bewaar-en
naaischool met de naam van de Heilige Barbara ingezegend. Vanaf
1926 waren de zusters die oorspronkelijk behoorden tot de
congregatie van de H. Jozef in Amersfoort, met Ede verbonden.
Reacties van de gemeenteraad op sport-
en ontspanning op zondag
In de raadsvergadering van 20 juli 1932
stond een voorstel van het college van B&W op de agenda waarin
werd voorgesteld om alle verlofslokaliteiten op zondag te
sluiten. In dit voorstel was een aantekening opgenomen, dat een
minderheid van het college van mening was dat het gebruik van
spijs en drank op zondag op zich namelijk geen
ontheiliging van de zondag inhield. Dit standpunt werd ook door
belijdende christenen in de raad gehuldigd. De raadsvergadering
nam, na discussie, in meerderheid het standpunt in, dat de
overheid geen taken op zich diende te nemen “ die de hare
niet waren”. Zo was AR-raadslid Pereboom, van mening “dat
hij zijn roeping als raadslid niet getrouw zou zijn, door de
Zondagsheiliging af te dwingen in den vorm van een verordening”.
Een motie van Pereboom om het Collegevoorstel te verwerpen werd
met 14 stemmen voor en 9 stemmen tegen aangenomen.
Naar aanleiding van de weigering van een
dansvergunning door de loco-burgemeester in september van dat
jaar, vroeg De Klein om opheldering. Het antwoord van
burgemeester Creutz op deze vraag luidde: “Wethouder Van de
Voort heeft als loco-burgemeester gehandeld in de vaste
overtuiging dat dansen onder de huidige omstandigheden
schadelijk is voor het zedelijk volkswelzijn. In het algemeen
belang zijn de vergunningen geweigerd.” De loco-burgemeester
had gehandeld bij afwezigheid van burgemeester Creutz die juist
dit soort vergunningen wel verleende.
Tijdens de raadsvergadering van 29 juni
1934 ontbrandde opnieuw een heftige discussie over de
zondagsheiliging. Het onderwerp van de woordenstrijd was een
weigering van B&W om een vergunning te verlenen voor
voetbalwedstrijden van de Arbeiderssportbond op zondag 24 juni
1934. De emoties liepen zo hoog op dat De Klein zelfs een motie
van afkeuring wilde indienen. De Klein bracht naar voren dat een
ieder vrij moest zijn om de zondag door te brengen zoals hij dat
zelf verkoos. In zijn antwoord stelde Burgemeester Creutz dat de
waarachtige heiliging van de zondag nooit door de overheid kon
worden afgedwongen omdat heiligen een zaak was van het hart. “De
overheid diende echter wel de zondagsrust te bevorderen door
geen vergunning te verlenen voor een wedstrijd op zondag in de
kom van de gemeente, maar wel daar buiten, zodat niemand zich er
aan hoeft te ergeren”. Raadslid De Koning meende dat de
overheid voor de Godsdag en Godseer moest opkomen. Raadslid
Pereboom (AR), was andermaal van mening dat de overheid niet
dwingend mocht optreden ten aanzien van de zondagsheiliging. De
overheid diende rekening te houden met een bevolking die uit
verschillende richtingen bestond. Zij moest er wel voor zorgen
dat men gelegenheid had de zondag te heiligen, daarom moest
rumoer in de nabijheid van kerken worden voorkomen. In deze
periode was, zoals eerder opgemerkt, in Ede-Zuid geen kerk.
Juist in Ede-Zuid werden de meeste activiteiten op zondag
gehouden.
Uit alles blijkt dat de meningen over de
zondagsheiliging in de gemeenteraad verdeeld waren. De
raadsleden die tot de zeer behoudende kerkgemeenschappen
behoorden, waren tegen alle vormen van vermaak op zondag. De
meer gematigden wilden wel een oogje dichtknijpen mits het
vermaak buiten het gezichtsveld van de kerken plaatsvond. De
socialisten en liberalen waren van mening dat een ieder zelf
mocht invullen op welke wijze hij de zondag doorbracht.
Hoewel Ede in zestig jaar grote
veranderingen onderging, was er zelfs in 2006 een oproep in de
plaatselijke krant om op oudejaarsdag (een zondag) tijdens de
kerkdiensten geen vuurwerk af te steken.
Conclusie
In deze scriptie heb ik getracht een beeld
te schetsen van de sociale en culturele veranderingen in Ede als
gevolg van de vestiging van de Nederlandse Kunstzijdefabriek in
Ede-Zuid.
Met de komst van de ENKA werd in Ede
grootschalige fabrieksarbeid geïntroduceerd. De fabrieksarbeider
deed zijn intrede en het dorp veranderde van een pensiondorp in
een fabrieksdorp. Dit had ingrijpende gevolgen voor de
bevolkingssamenstelling en voor het sociaal economische leven.
Met haar 1609 werknemers bij de start van
de productie was de ENKA veruit de grootste werkgever in Ede.
Ook in de volgende jaren bleef de kunstzijdefabriek de grootste
werkgever zoals blijkt uit onderstaand overzicht.
|
Jaar |
|
Ede totaal |
|
waarvan ENKA/AKU
|
|
1922 |
|
1686 |
|
|
1609 |
|
|
1928 |
|
3881 |
|
|
3468 |
|
|
1930 |
|
2966 |
|
|
2444 |
|
|
1938 |
|
2095 |
|
|
1653 |
|
Niet alle werknemers kwamen ook in Ede
wonen, voor ongeveer vierhonderd personen, arbeiders én kader
heeft de directie woonruimte in Ede aangekocht of laten bouwen.
De komst van deze nieuwe inwoners veranderde niet alleen de
samenstelling van de beroepsbevolking, maar had ook gevolgen
voor de religieuze samenstelling van de Edese bevolking. Vooral
de katholieke kerk, opgericht als gevolg van de komst van het
garnizoen in 1905, kreeg er heel wat parochianen bij. Zoals in
hoofdstuk 2 naar voren is gebracht, veranderde door de komst van
de nieuwe inwoners, het streng protestantse karakter van de
Edese gemeenschap. De Nederlands Hervormde Kerk, die bij de
kerksplitsing aan het eind van de 19e eeuw al aan
invloed had ingeboet, kwam verder onder druk te staan. Dit gold
voor Ede-dorp en vooral voor Ede-Zuid waar het merendeel van de
nieuwkomers gehuisvest werd. De situatie in de buitendorpen aan
de noordkant van Ede bleef lang ongewijzigd.
De meest zichtbare en tastbare verandering
als gevolg van de huisvesting van de werknemers, is de bouw van
het tuindorp ‘Vooruit’ geweest. Door de bouw van het tuindorp
veranderde Ede-Zuid in een echte volkswijk. Het tuindorp had
alle kenmerken van een fabrieksdorp. Juist dit aanzien heeft tot
het nodige verzet in de gemeenteraad geleid.
Wat er ´achter het station´ gebeurde werd
door de dorpsbewoners met argwaan bekeken. Een columnist van
Edes nieuwsblad ging in 1920 zelfs zo ver, dat hij waarschuwde
voor vreemdelingen die zich in Ede zouden vestigen. Tot ver na
de Tweede Wereldoorlog was er bij de bewoners van ‘het dorp’
sprake van een lichte vorm van xenofobie ten opzichte van de
bewoners van Ede-Zuid.
Het initiatief tot oprichting van de
woningbouwvereniging ‘Vooruit’ was afkomstig van de ENKA-
directie. Door de constructie van een woningbouwvereniging kon
men gebruik maken van overheidsgeld ter financiering van de
noodzakelijke huisvesting van de arbeiders. De
woningbouwvereniging stond formeel los van de ENKA maar
feitelijk was het bestuur in handen van de fabriek.
Toekomstige bewoners werden gescreend via
het hoofdkantoor van de ENKA en een medewerkster van de fabriek
controleerde de gang van zaken in het tuindorp. Om het
ontwikkelingspeil van de bewoners te
verbeteren, bood de ENKA cursussen aan. Door de oprichting van
een speeltuin werd de saamhorigheid van de bewoners verbeterd.
Hoewel het opleidingniveau van de bewoners niet hoog was, vonden
zij het belangrijk om hun kinderen naar het voortgezet onderwijs
te sturen. Deze ouders kwamen, zoals uit de grafieken in
hoofdstuk twee blijkt, voor het merendeel uit arme streken van
Nederland. Een groot deel van deze mensen moest na vier of vijf
jaar lagere school al meedoen in het arbeidsproces. Het is dan
ook geen wonder dat zij voor hun kinderen een vervolgopleiding
belangrijk vonden.
De doorloopsnelheid in het tuindorp was
groot. Regelmatig vertrokken bewoners naar een woning in Ede of
Bennekom. Vanaf het moment dat er begin jaren dertig bij de ENKA
ontslagen vielen ontstond er leegstand. Bestond de populatie van
het tuindorp in de jaren twintig vooral uit werknemers van de
ENKA, begin dertig werden de leegstaande woningen verhuurd aan
elke potentiële huurder. De voorwaarde dat alleen ‘nette
bewoners’ welkom waren bleef gehandhaafd. Het tuindorp
‘Vooruit’, dat oorspronkelijk was gebouwd voor de werknemers van
de ENKA, veranderde in een wijk met een gemengde bevolking van
Edenaren en nieuwkomers.
De komst van de ENKA is ook van invloed
geweest op het aanbod van ontspanning, cultuur en sport in Ede.
Aan het begin van de jaren twintig was er op dit gebied nog
weinig activiteit.
Op initiatief van Hartogs werden op een
tiental terreinen ENKA fabrieksverenigingen opgericht die
gericht waren op de eigen werknemers. Aanvankelijk was de animo
voor deze verenigingen groot, maar eind jaren twintig waren, als
gevolg van het inkrimpende personeelsbestand, nog maar weinig
verenigingen actief. Het ENKA-mannenkoor bestaat nog steeds en
geeft nog regelmatig concerten. Een aantal oud-leden van de
ENKA-Harmonie werd, na de opheffing van hun korps, lid van de
Edesche Harmonie die ook in 2007 domicilie heeft in Ede-Zuid.
De oprichting van de ENKA-verenigingen
betekende een stimulans voor Ede en sloot aan op de eerdere
initiatieven die waren ontwikkeld door het garnizoen.
Aansluiting op de Edese verenigingen liep wat stroever. Hoewel
alle sportverenigingen van de ENKA eind jaren twintig werden
opgeheven, hebben de verenigingen wel de georganiseerde
sportbeoefening in Ede gestimuleerd. Zo speelde de voetbalclub
‘Ede’ in de zondagcompetitie op een terrein aan de zuidzijde van
de spoorlijn.
In 1931 kreeg Ede, na lang aandringen van
progressieve raadsleden en op initiatief van een enthousiast
comité, uiteindelijk, met medewerking van de AKU een zwembad.
Ook het zwembad was op zondag korte tijd geopend.
Het gegeven dat er op zondag activiteiten
werden beoefend, botste met de religieuze opvattingen in de
gemeenteraad. Toch werd er voor deze activiteiten gemeentelijke
toestemming verleend. Waarschijnlijk is een deel van de
verklaring voor dit gedoogbeleid dat alles plaatsvond aan de
zuidkant van de spoorlijn Utrecht-Arnhem. In deze wijk zijn
ondanks dat hier meerdere wooncomplexen waren gebouwd, geen
kerken verrezen. Ook was de meerderheid van de raad gevoelig
voor het argument dat verbieden van alle activiteiten op zondag
een aantasting van de individuele keuzevrijheid betekende.
Een belangrijke verandering in het
culturele leven van Ede was de opening van de nieuwe ‘Reehorst’
in 1930. Deze grootste schouwburg in de omgeving werd in
relatief korte tijd, zonder financiële steun van de gemeente,
door de ENKA gebouwd. Vanaf dat moment was de Edese bevolking
voor hogere cultuur niet meer aangewezen op Arnhem. Op alle
dagen van de week waren de bewoners van Ede welkom voor toneel-
en filmvoorstellingen, moderne- en klassieke muziek-uitvoeringen
en operavoorstellingen. Het bood ook de toneelvereniging van het
garnizoen een podium voor haar activiteiten. In de jaren dertig
is er ten aanzien van de ‘Reehorst’, met betrekking tot de
handhaving van de zondagsrust, vergeleken met de jaren twintig,
een duidelijke verschuiving zichtbaar. Voor het gebruikelijke
bal na een uitvoering of feestavond werd nu ook op zaterdag
vergunning verleend tot na twaalven. Ook hier kunnen we de meer
liberale opstelling van de burgemeester in het
vergunningenbeleid onderscheiden.
De verandering in de samenstelling van de
bevolking als gevolg van de komst van het garnizoen en de ENKA,
had ook tot gevolg dat de roep om beter voorbereidend onderwijs
luider werd. Het garnizoen was met de ENKA betrokken bij de
oprichting van de Edesche Schoolvereniging, die in korte tijd
een neutrale bijzondere school stichtte. Hiermee was een school,
die wel aansluiting bood op het middelbaar onderwijs, in Ede
gerealiseerd. Het wekt enige verwondering dat voor de bouw van
een openbare lagere school geen initiatief werd genomen. Eerst
tien jaar nadat de eerste woningen in het tuindorp waren
opgeleverd, werd aan de Kerkweg een openbare lagere school
geopend. Kennelijk voldeed het aangeboden lager onderwijs aan de
behoefte en was hier noch bij de ENKA, het garnizoen of de
gemeenteraad de behoefte om in een openbare lagere school te
voorzien.
De persoonlijke inbreng van een aantal
betrokkenen is groot geweest. Zowel Hartogs, Van den Bosch,
Heimans en Weyer hebben hun stempel op de ontwikkelingen
gedrukt. Vooral Hartogs heeft met groot enthousiasme
initiatieven ontplooid, die niet alleen voor de ENKA, maar ook
voor de culturele en sociale ontwikkeling van Ede van groot
belang zijn geweest.
In het gemeentebestuur was burgemeester
Creutz de stimulerende factor voor de komst van de ENKA naar
Ede. Hij zorgde, net als zijn voorganger Op ten Noort bij de
komst van het garnizoen, dat het verzet in de gemeenteraad
tegen, in dit geval de komst van de fabriek, opgeheven werd. Uit
de raadsverslagen blijkt huivering voor het onbekende en een
ambivalente houding van de raadsleden ten opzichte van
grootschalige industrie. Creutz bemiddelde meerdere malen bij
conflicten tussen de gemeenteraad en de kunstzijdefabriek. Meer
dan eens wist de ENKA-directie de raad in een positie te
manoeuvreren waardoor de besluitvorming ten faveure van de ENKA
uitviel. Het gemeentebestuur was niet opgewassen tegen de
professionele aanpak van de ENKA-directie. Voortdurend kwam de
raad voor onaangename verrassingen te staan: “Het is alles
‘Vooruit’ ‘Vooruit’ ‘Vooruit’ wat de klok slaat” zoals een
wanhopig raadslid riep tijdens een raadsvergadering. Vooral de
financiële tekorten van ‘Vooruit’ en de stank die de fabriek
verspreidde leidden tot heftige debatten. Tot aan 1931, toen een
financiële regeling werd getroffen voor de tekorten, hing
‘Vooruit’ als een molensteen om de nek van de gemeenteraad.
Hoewel de fabriek als grootste werkgever flinke economische
voordelen bracht, werden vooral klachten over de stank en de
tekorten in de raadsvergaderingen breed uitgemeten.
Protesten in de gemeenteraad tegen de
zondagsarbeid als gevolg van de volcontinudiensten bij de ENKA
hadden geen resultaat omdat de nationale arbeidswetgeving dit
toegestaan had. Uit deze botsing van belangen van de industrie
en de leefgewoonten van de Edese bevolking kwam de industrie
opnieuw als winnaar tevoorschijn. De houding van SDAP raadslid
De Klein in deze kwestie is zacht gezegd vreemd. In het debat
over de zondagsarbeid wees hij op de verstoring van een rustige
kerkgang door arbeiders op weg naar de fabriek. In de jaren
dertig botste hetzelfde raadslid met de loco-burgemeester over
diens weigering om een vergunning te verlenen voor een sportdag
op zondag.
De angst voor de negatieve gevolgen van de
moderniteit zien we terug in het gemeentelijke initiatief om
boven op de landelijke filmkeuringscommissie nog een
gemeentelijke variant in te stellen. Dit uit bezorgdheid over
het zedelijke peil van de films die in de ‘Reehorst’ werden
vertoond. Pogingen om tot een zondagssluiting voor openbare
gelegenheden te komen werden echter met een kleine meerderheid
verworpen.
Opvallend is dat de komst van de ENKA en
de sport en spelbeoefening op zondag, niet geleid hebben tot
genotuleerde gesprekken binnen de kerkenraad van de Hervormde
Kerk. Wellicht was men in deze kring van mening dat leden van de
kerk zich niet zouden inlaten met de zondige kanten van de Edese
samenleving.
Ede anno 2007
De kunstzijdefabriek is in 2003 gesloten.
In de ontwikkelingsplannen voor het gebied ten zuidoosten van
het spoor Utrecht-Arnhem is besloten om in elk geval het oude
carré te behouden en op te nemen in de plannen voor een nieuwe
woonwijk op het voormalige ENKA-terrein.
De woningbouwvereniging ‘Vooruit’ werd in
1983 opgeheven. In de jaren negentig van de twintigste eeuw
kreeg het eerste complex van het tuindorp de status van
monument. Hierna werd dit deel van voormalig ‘Vooruit’
gerestaureerd en herbouwd in de stijl van Eschauzier en Van der
Burgh. Deze woningen zijn momenteel zo gewild dat, op het moment
dat er een woning vrijkomt, zich meer dan 200 gegadigden
aanmelden. Na de sloop van het tweede complex, waarbij de
openbare school werd gespaard, werd op de vrijgekomen bouwgrond
een nieuwe woonwijk gebouwd in de bouwstijl van de jaren dertig.
Het deel van het tuindorp dat in 1922 door de gemeenteraad werd
verguisd is nu een aanwinst voor Ede-Zuid. Zelfs de televisie
maakte na de renovatie een reportage van het gerenoveerde
complex.
De ‘Reehorst’ is na een ingrijpende
verbouwing een schouwburg annex congrescentrum met landelijke
bekendheid. De belangstelling voor de Edesche Schoolvereniging
is groot, vandaar dat er al jaren een wachtlijst is voor nieuwe
leerlingen. Tot ongenoegen van de Edese bevolking werden het
zwembad en de woningen langs de Dr. Hartogsweg, gesloopt. Op dit
moment is er op deze locatie een tijdelijk noodparkeerterrein
ingericht.
Uit dit onderzoek blijkt dat de basis voor
Ede-Stad, zoals Ede officieel sinds 1989 wordt genoemd, tussen
1919 en 1939 mede werd gelegd door de ENKA en de bewoners van
Ede-Zuid. De komst van de ENKA is een belangrijke stimulans
geweest voor de groei van Ede op weg naar de 100.000 grens die
de gemeente in 1997 vol trots bereikte.
|