STULEMEIJER, Carel Lambertus (1880-1968)
Stulemeijer, Carel Lambertus,
industrieel (Rotterdam 20-9-1880 - Breda 24-1-1968). Zoon van
Adrianus Hendrikus Stulemeijer, aannemer, en Catharina Agatha
van Heck. Gehuwd op 24-4-1903 met de Belgische Esther Lucie
Marie Thérèse Ghislaine Evrard. Zij hadden 1 zoon en 6 dochters.

Na het vroegtijdig overlijden
van de vader (op 48-jarige leeftijd) is het talrijke gezin
Stulemeijer, vermoedelijk om economische redenen, naar Breda
verhuisd. Carel Stulemeijer, kreeg zijn opleiding aan het
pensionaat St. Louis te Oudenbosch en het college St. Rombout te
Mechelen (België). Hij deed vervolgens een jaar kantoorpraktijk
op in een leerfabriek te Dongen en vestigde zich op 18-jarige
leeftijd in Breda als agent en handelaar in bouwmaterialen. Te
zamen met zijn oudere broers Frans en Jacques-Marie stichtte hij
in 1898 de firma F.J. Stulemeijer, aanvankelijk agentuur in
stenen en bouwmaterialen, daarna handel in en fabricage van
hetzelfde en ten slotte bouwonderneming, één der eerste
gewapendbetonfabrikanten in Nederland. In 1905 is de onderneming
(175 man personeel) omgezet in de N.V. Internationale
Gewapendbeton Bouw (IGB). De eerste grote opdracht vormde de
bouw van het Palacehotel te Scheveningen in 1910. Intussen had
Charles Stulemeijer de S.A. La Société Belge des Betons te
Brussel opgericht (1909) die hij tot 1913 leidde. De groei van
de IGB ging gepaard met talrijke deelnemingen buitenlands, o.a.
in 1920 de S.A. Société Nord France te Rijssel, in 1921 de S.A.
Des Ciments de Thieu te Brussel en in 1922 de Sociedad Ibérica
de Construcciones Y Obras Públicas S.A. te Madrid en Valencia.
In het binnenland was het belangrijkste de medewerking der IGB
aan de financiering der NV Hollandsche Kunstzijde Industrie te
Breda (HKI), door Stulemeijer opgericht in 1919. Na de Eerste
Wereldoorlog bleef hij (tot 1944) gedelegeerd commissaris der
IGB maar concentreerde hij zich hoofdzakelijk op de HKI in de
dagelijkse leiding van 1933 tot 1952, daarna tot 1964 als
gedelegeerd lid van de raad van bestuur.
Zijn activiteit in de
kunstzijde sproot voort uit de reeds vóór de Eerste Wereldoorlog
door hem onderkende winstkansen. Er ontstonden contacten met een
Franse combinatie die in Roosendaal een kunstzijdefabriek wilde
stichten maar onvoldoende kapitaal bezat. Uiteindelijk vestigde
de HKI zich te Breda, echter zonder de deelneming der Fransen
die een alleenheerschappij wensten, waarin Stulemeijer niet kon
berusten. Niet lang daarna kwam het tot samenwerking met de in
1911 gestichte NV Nederlandsche Kunstzijdefabriek (ENKA) die in
1929 na fusie met Vereinigte Glanzstoff Fabriken de Algemeene
Kunstzijde Unie vormt (AKU). Onder Stulemeijers leiding nam de
HKI een eigen plaats in het AKU-concern in. Tijdens de
malaisejaren '30 redde hij het bedrijf van de ondergang door een
reorganisatie en legde de grondslag voor de naoorlogse groei.
Grote opdrachten voor spinmachines ten behoeve van de
kunstzijdefabricage verwierf naast de tot het
Stulemeijer-concern behorende Constructiewerkplaats en
Machinefabriek IGB ook de Machinefabriek 'Breda' voorheen Backer
en Rueb, waarin Stulemeijer in 1928 persoonlijk een belangrijk
pakket aandelen kreeg; door de daaropvolgende deelnemingen van
HKI en AKU in de 'Breda' ontstond over en weer een
belangengemeenschap. De in 1884 te Breda gestichte particuliere
bank Van Mierlo en Zoon, die in 1900 de heren Stulemeijer met
belangrijke kredieten had gesteund, kon tijdens de malaise dank
zij ingrijpen van Stulemeijer in 1932 zijn zelfstandigheid als
regionale bank behouden als Van Mierlo & Zoon NV.
Als ondernemer behoorde
Stulemeijer te zamen met figuren als C.J.K. van Aalst, E.
Heldring, F.H. Fentener van Vlissingen, A.F. Philips en H.J.E.
Wenckebach tot de wegbereiders van het moderne bedrijfsleven in
Nederland, dynamische promotors vóór en na de Eerste
Wereldoorlog van de Nederlandse economische expansie. Hij was
daarin een exponent van de grote katholieke ondernemers,
doordrongen van progressief katholiek sociaal denken, zich
baserend op de encycliek Rerum Novarum, en in
conservatief Breda verdacht als de 'rode' Stulemeijer. Samen met
F.M. Wibaut en jhr. H. Smissaert bracht hij in 1908 een
preadvies uit over de wettelijke regeling van de arbeidsduur
voor volwassen arbeiders waarin hij een verkorting hiervan
bepleit. In 1917 richtte hij in zijn diocees de RK
Werkgeversvereeniging op; hij nam zitting in het landelijk
bestuur en was lid van de Hooge Raad van Arbeid. Lang vóór de
wettelijke regeling stelde hij in 1942 een Centrale
Ondernemingsraad in voor de HKI.
Uit zijn sociale bewogenheid
vloeiden talrijke functies op sociaal terrein voort, o.a.
medeoprichter van de RK Openbare Leeszaal en het Onze Lieve
Vrouwe Lyceum te Breda, initiatiefnemer van een goed
georganiseerde t.b.c.-bestrijding en enige tijd raadslid en
wethouder van Breda. Door zijn huwelijk met een Waalse was hij
sterk Frans georiënteerd. Hij had grote interesse voor
literatuur, schilderkunst en muziek, en voorts beoefende hij de
golfsport.
P:
Praeadvies over wettelijke regeling van den arbeidsduur voor
volwassen arbeiders. (Amsterdam, [1908]); Praeadvies
over industrialisatie (werkherstel-werkverruiming)
['s-Gravenhage, 1935].
L:
A.J.M. van Dal, Bouwen en spinnen 1898-1948. De geschiedenis
van een ondernemersgeneratie (Breda, 1948); Max Dendermonde,
Nieuwe tijden nieuwe schakels. De eerste vijftig jaren van
de A.K.U, (SA., 1961); A. Heerding, Cement in Nederland
(Amsterdam, 1971).
I:
Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en
beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938)
1431.
Joh. de Vries |