|
De Nederlandse
Rayonindustrie van
1913 tot 1940
(een verhaal uit ca. 1951)
Wanneer er één Nederlandse
bedrijfstak is, welke a1s typisch exportbedrijf moet worden
gekarakteriseerd. dan is bet wel de rayonindustrie. Tot aan de
tweede wereldoorlog werd ruim 80% van baar productie in bet
buitenland afgezet. Deze “exportmindedness” werd haar reeds bij
de geboorte door haar geestelijke vader Dr. J. C. Hartogs
meegegeven.
Deze stichter van het
ENKA-concern immers begon met de productie van rayongarens,
wetend dat de binnenlandse afzet vooralsnog praktisch
verwaarloosd kon worden. De Nederlandse textielindustriëlen
waren nog maar al te huiverig van garens van andere makelij dan
die waarmee hun voorvaderen enkele geslachten lang ervaring
hadden opgedaan. Het resultaat was, dat tot ± 1935 het
binnenlands verbruik van rayongaren op een zeer laag niveau
bleef en derhalve praktisch de gehe1e Nederlandse
rayongaren-productie bestemd was om het land “deviezen” op te
leveren.
Opkomst der Nederlandse
Rayonindustrie
Verschillende andere landen waren
ons al voorgegaan toen in 1913 de te Arnhem gevestigde “Enka”-fabriek
haar eerste garens afleverde; in een reeks van landen bestond
reeds een min of meer gevestigde rayonindustrie. In dit jaar
produceerden deze gezamenlijke rayonspinnerijen in diverse
landen reeds 12.000.000 kg garens. Al waren de Nederlanders in
dit opzicht dus geen pioniers en al hadden zij eerst de kat uit
de boom gekeken. eenmaal begonnen. wisten zij in betrekkelijk
korte tijd een vooraanstaande plaats tussen de grote producenten
in de wereld in te nemen. Zelf zouden zij ook internationaal een
leiding en richtinggevende functie gaan vervullen.
Naast de Enka werd in 1919 de “N.
V. Hollandsche Kunstzijde Industrie (H.K.I.) te Breda opgericht;
de fabriek werd in 1921 in bedrijf gesteld.
Daarna. in 1922 nam de Enka een
tweede: fabriek te Ede in gebruik. toen viermaal zo groot als de
Arnhemse fabriek. die echter op haar beurt ook enkele malen
geducht werd uitgebreid.
Tenslotte werd er nog een derde
onderneming opgericht. de N. V. Kunstzijdespinnerij Nyma. die in
1929 haar fabriek te Nijmegen in bedrijf stelde.
Aan de vestigingen was hiermede
voorlopig een eind gekomen. Nederland telde 4
rayongaren-spinnerijen,in handen van drie van elkaar
onafhankelijke ondernemingen.
De capaciteit der industrie werd
echter sinds de bouw der fabrieken herhaaldelijk en zeer
belangrijk uitgebreid, zoals wel blijkt uit onderstaande
productiecijfers:
Nederlandse productie van
rayongaren x 1000 kg
1917 60
1920 225
1925 2.637
1930 8.000
1935 9.400
1937 10.750
1939 10.500
In de loop der jaren traden er
echter nog enkele organisatorische wijzigingen op. Allereerst
kwam in 1929 een aaneensluiting tot stand van de Enka met een
belangrijke Duitse groep. waarbij het Nederlandse belang
overheersend bleef. In verband hiermee maakte de naam N.V.
Nederlandsche Kunstzijdefabriek “Enka” in genoemde jaar plaats
voor die van Algemeene Kunstzijde Unie N.V. of A.K.U. (het woord
Enka bleef als merkaanduiding gehandhaafd). Bovendien werd de
H.K.I. ook aan het A.K.U. concern gelieerd.
A.K.U. en H.K.I. riepen in 1932
ter behartiging hunner gemeenschappelijke verkoopbelangen, zowel
in binnen alsbuitenland, de N.V. Internationaal Kunstzijde
Verkoopkantoor (later omgedoopt in Internationaal Rayon
Verkoopkantoor) te Arnhem in het leven.
Activiteit buiten de eigen
grenzen
De Nederlandse rayonindustrie was
ook buiten de grenzen van ons land uitermate actief. Zij nam het
initiatief tot of werkte mee aan de totstandkoming van een reeks
fabrieken in het buitenland. Het resultaat was, dat het A.K.U./
H.K.I.-concern in 1938 beheerder was van 3 fabrieken in
Nederland, drie fabrieken in de Verenigde Staten, 2 fabrieken in
England, 8 in Duitsland, 1 in Oostenrijk. 1 in
Tsjecho-Slowakije, 1in Spanje en 2 in Italie. Bovendien had het
nog belangen in enkele andere fabrieken. Hiermee behoorde het
tot de grootste concerns ter wereld. In 1938 produceerden de tot
het A.K.U./H.K.I.-concern behorende fabrieken gezamenlijk 75.765
ton rayongaren, zijnde 17 % van de wereldproductie.
Arnhem werd zodoende tot een
centrum van grote betekenis. Hier werden het centrale
researchapparaat, de proeffabrieken en laboratoria van het A.K.U.
concern gevestigd; van hieruit werd technische wetenschappelijke
leiding gegeven aan de tot dit concern behorende
dochterbedrijven. Dit researchapparaat wist opmerkelijke
resultaten te bereiken en droeg veel bij tot de uitstekende
naam, welke het Nederlandse product zich in de wereld veroverde.
Zeer bekend in vakkringen is b.v.
een methode om dichtgroeiing der spindoppen te voorkomen,
waardoor het mogelijk werd de regelmatigheid van gesponnen
draden aanmerkelijk te verbeteren; ver- schillende grote
buitenlandse rayonconcerns verzochten en verkregen een licentie
voor de toepassing van deze vinding.
Kwaliteitsopvoering
Hierboven gaven wij cijfers over
de: stijging van het productiecijfer. In wezen zijn deze in
kilogrammen uitgedrukte hoeveelheden eigenlijk niet
vergelijkbaar. Immers men kan bijna zeggen, dat het rayongaren
van tegenwoordig een ander product is geworden dan de
kunstzijden garens van b.v. 1913. In allerlei opzichten wisten
de bedrijven de kwaliteit op te voeren, de eigenschappen te
verbeteren en het product geschikt te maken voor nieuwe
toepassingen.
Prijs en kostendaling
Tegelijk voltrok zich een andere
ontwikkeling, die eveneens van ingrijpende betekenis was voor de
zegetocht van de nieuwe “man-made” textielgrondstof. De prijs
daalde ondanks de verbeteringen van 1920 tot 1937 in een zeer
snel tempo. Dit wordt o.a. gedemonstreerd indien men de globaal
berekende gemiddelde prijs per kg van de uit Nederland
geëxporteerde hoeveelheden beziet:
1918 f
29,15
1930 f 2,70
1920 f
20,60 1932 f
2,00
1922 f
8,55 1934 f 2,00
1924 f
5,85 1936 f 1,70
1926 f
3,95 1938 f 2,00
1928 f 3,85
In werkelijkheid is de daling nog
veel geprononceerder daar tegelijkertijd, wij wezen daar reeds
op, 't gemiddeld denier der garens in deze jaren sterk daalde en
de prijs per kg uiteraard voor dunnere garens steeds hoger zijn
dan voor minder fijne.
Deze sterke prijsdaling op de
wereldmarkt was enerzijds de stimulans en anderzijds het gevolg
van een in een verbazingwekkende kostenprijsdaling resulterende
nationalisatie, welke zich vooral voltrok in de jaren ,na de
grote economische crisis van 1929.
Aldus wist de Nederlandse
rayonindustrie een zeer gevaarlijke periode van haar bestaan
door grondig en systematische verbetering der productiemethoden
te overleven en zich te handhaven temidden der in steeds meer
landen opkomende concurrentie.
Zij was in 1937 en 1938 na Italië
en Japan de grootste exporteur van rayongaren.
Economische betekenis voor
Nederland
In 1939 gaf de Nederlandse
rayonindustrie werk aan ± 5.000 personen. Dat cijfer luidt
tegenwoordig 12.000 en heeft zijn limiet naar de verwachtingen
geenszins bereikt. Daarnaast gaf zij belangrijke opdrachten aan
een reeks van binnenlandse grond en hulpstoffen leverende
bedrijven (zwavelzuur-industrie, natronloog fabricage,
zoutwinning, machine en motorenfabrieken, bouwnijverheid,
verkeersbedrijven, enz.)
Hiernaast verschafte zij de
Nederlandse textielindustrie een steeds groter quantum
textielgrondstof van Nederlands fabrikaat. Dit laatste zou in
het bijzonder in de op de wereldoorlog volgede periode van
schaarste en importbeperking van de allergrootste betekenis voor
onze textielindustrie blijken te zijn.
Na de bevrijding in 1945
De rayonindustrie is ongetwijfeld
een der takken van nijverheid in ons land, die het zwaarst door
de oorlog werden getroffen. Niet minder dan 35 à 40 % van haar
productiecapaciteit werd vernietigd.
Stijgende productie
Het herstel werd echter met
bewonderenswaardige energie ter hand genomen en reeds in Mei
1946 waren alle rayongaren fabrieken weer in productie en in de
loop van 1947 werd het vooroorlogse productieniveau al
gepasseerd. Onderstaande cijfers geven van dit snelle herstel
een duidelijk beeld.
Nederlandse productie van
rayongaren incl. bandenrayon (x 1000 kg)
1937 10.750
1947 12.875
1938 9.260
1948 15.955
1939 10.500
1949 19.280
1945 1.565
1950 21.800
1946 7.810
Een grote productie van
rayongaren voor textieldoeleinden kwam ons land in een tijd,
waarin de import uitermate beperkt was, wel buitengewoon goed te
stade. Tot Maart 1946 werd de gehele Nederlandse rayongaren
productie in het binnenland verwerkt en ook nadien eiste de
binnenlandse afzet een zeer groot deel van de rayontextiel
garenproductie voor zich op. Thans nog schommelt dit percentage
om de 50 %. Weliswaar was de import van rayongaren in de
naoorlogse jaren geringer dan voor de oorlog, doch de
Nederlandse textielindustrie werd daarvoor ook ruimschoots
schadeloos gesteld door vergrote leveringen van de A.K.U./H.K.I.
en Nyma.
Import van rayongaren in
Nederland (x 1000 kg excl. veredelingsverkeer)
1937 1.200 1947
270
1938 900 1948
390
1939 1.300 1949
900
1945 0 1950
400
1946 100
Per saldo kon het binnenlandse
industriële verbruik van rayongaren dan ook een aanmerkelijke
stijging ondergaan:
Binnenlandse industriële
verwerking van rayongaren incl. bandenrayon, excl.
Rayonvezelgaren (x 1000 kg)
1938 3.100
1946 4.670
1939 3.780
1947 7.000
1945 1.400
1948 7.400
1949/1950 gemiddeld 8.825
Het is voorts interessant te
vermelden. dat Nederland. als exporteur van rayongaren in 1949
zowel als in 1950. de tweede plaats innam (eerste is Italië).
Voorts vermelden wij nog. dat het
aantal vestigingen van de rayonindustrie in Nederland de laatste
tijd een stijging heeft ondergaan. AKU en HKI zijn, in hoofdzaak
wegens personeelgebrek in decentralisatie door te voeren. Te
Emmer Compascuum werd een spoelerij gevestigd, te Steenbergen
een spoelerij. tevens .twijnerij. In. deze nevenvestigingen
worden de in de spinnerijen geproduceerde garens dus verder
afgewerkt. resp. veredeld. De jongste vestiging is die te Emmen.
waar de Enkalon~fabriek in aanbouw is.
Rayon voor autobanden.
In de eerder genoemde
productiecijfers is voor 1947 t/m 1949 een kwantum bandenrayon
opgenomen. In December 1946 ving n.l. de AKU aan met de
vervaardiging van rayongaren van extra grote sterkte ten behoeve
van de fabricage van autobanden en deze productie heeft zich
sindsdien snel uitgebreid. Hiermee was Nederland een nieuw
belangrijk exportproduct rijker. doch ook de Nederlandse
autobandenindustrie kreeg daardoor een grondstof uit eigen land
ter beschikking. Indien men weet, dat in de Verenigde Staten
reeds thans ruim 60 % van alle in autobanden verwerkte garen uit
rayon bestaat, zal men begrijpen. dat er voor de afzet van dit
product grote mogelijkheden zijn weggelegd. Ook de Nyma heeft
het plan in 1951 de productie van bandenrayon ter hand te nemen.
|