Rapport omtrent
gebeurtenissen in Enka-bedrijf Ede van 10 - 15 mei
1940

Door Ing. H. Nolet (foto)
Datum: vrijdag 10 mei 1940.
(Begin van de oorlog)
Honderden vliegtuigen over Ede; vele hiervan in nabijheid neergeschoten.
Telefonische verbinding met Arnhem werd direct verbroken.
Nadat eerst in december 1939 met een sergeant en daarna op 16 april en 9 mei
besprekingen waren gevoerd met genie officieren (Kapitein van Walsum)
omtrent maatregelen voor het indien nodig, het laten vallen van de beide
fabrieksschoorstenen, werd eerst op 10 mei 1940 een aanvang gemaakt met het
inboren van de afzuigschoorstenen op circa 25 meter hoogte. Nadat om 12:30
uur 9 gaten waren geboord, kwam het bericht van de aankomst van der Duitsers
in Arnhem. Toen zag men geen kans meer om het werk op tijd te beëindigen en
trokken de militairen af. De schoorstenen waren gered, niet alleen, doch ook
was de grote schade, die door het rondvliegen van brokken steen aan de
fabriek zou worden berokkend, voorkomen. De genie gaf op dat deze brokken
circa 300 meter in het rond zouden vliegen. Onmiddellijk werd de productie,
te beginnen met de perskamer, tot 50% gereduceerd. Tengevolge van de
pinksterdagen werd reeds begonnen met optrekken der doppen. Vele leden van
het personeel konden de fabriek niet meer bereiken. De glazen van de kap van
der spinnerij en chemisch bedrijf werden door een grote ploeg mensen blauw
geschilderd voor de toekomstige verduistering. Het lichtnet werd op 70 Volt
geschakeld, de buitenlampen uitgedraaid. De enveloppen met de in voorschot
te betalen salarissen en lonen waren voor het begin van de oorlog nog niet
in Ede aangekomen. Daar de verbindingen met Arnhem per trein of auto
afgebroken waren, konden deze gelden alleen per fiets worden gehaald. Zonder
te weten waarom het eigenlijk handelde, stelden zich voor deze riskante
expeditie vrijwillig beschikbaar de heren: Borsch, v.d. Hengel, Hartog,
Bosch en de Pree. Zij vertrokken van Ede Circa 13:00 uur en kwamen met de
circa 200.000 gulden aan "blauwe brieven" om 16:30 uur terug in Ede naar een
zeer moeilijke en somtijds gevaarlijke reis. Deze heren verdienen alle
hulde. De uitbetaling kon ten dele nog voor 17:00 uur geschieden en
vervolgens naar gelang de mensen op de fabriek verschenen, ook de daarop
volgende dagen. Aan de nauwkeurige administratie onder de grote spanning
werden hoge eisen gesteld. Bij de afrekening blijkt tenslotte dat alles
zuiver klopt. Dadelijk bij het begin der oorlogstoestand was onze
luchtbeveiligingsdienst in werking gesteld. De fabriekspolitie bewaakt de
toegangen. Bij den portier werd extra hulp gegeven. De heer Gelber was het
gelukt per auto met zijn familie en de Heer en Mevrouw Levison en kind naar
Rotterdam te vluchten. Door de politie werden wegens Duits gezinde
opvattingen uit de fabriek 4 mannen en 1 vrouw verwijdert. Na de
wapenstilstand kwamen zij weer terug in dienst (één der heren reeds op de 2e
pinksterdag). In de nacht van 10 op 11 mei werd vanaf de Grebbe verdediging
door granaatvuur getracht de afzuigschoorstenen te vernietigen. Zij werd
niet geraakt, doch vele huizen in de Sportlaan en de Bennekomscheweg werden
ernstig beschadigd. Van het fabriekspersoneel werden onder andere de
bezittingen van de hh. van Gijzen, Nederhand en Mej. Boekenstein zeer
ernstig getroffen. Ten gevolge van dit bombardement werden de inwoners van
huizen in de omgeving naar elders in het dorp over gebracht. Tengevolge van
het bombardement en de plaatsing van diverse kanonnen der Duitsers in- en in
de omgeving van Ede, werd de stemming in Ede enigszins onrustig, zodat een
gedeelte van het personeel niet te bewegen was, aan het werk te gaan. In de
regel was het de angststemming der vrouwen die hieraan debet was. Het
kanongebulder en mitrailleurvuur dat dag en nacht werd gehoord werkte niet
geruststellend. De hh. Weeldenburg, Hermans, Tesselhof, Roder, Harder e.a.
met hunne families hadden er de voorkeur aan gegeven om in de kantoorlocalen
der fabriek te overnachten. Matrassen enz. werden van huis meegebracht. De
bijzondere maatregelen die op deze zaterdag genomen moesten worden waren
legio. Met de Burgemeester, en later op den dag ook met een Duitse
Commandant werd geregeld contact onderhouden, waardoor het mogelijk werd om
door met door ons uitgegeven pasjes ten allen tijden op straat te mogen
verschijnen. Voordien werden onze mensen door Duitse posten overal
tegengehouden.

Pas van dhr. Nolet.
Zondag 12 mei 1940 (1e
pinksterdag)
Daar het Pinksteren was en de
fabriek daardoor grotendeels stop stond, kon alle aandacht aan bijzondere
maatregelen worden besteed. Behalve de staf hadden nog verschillende andere
leden van het personeel, die dienst moesten doen, met hun families in de
fabrieksruimten (o.a. schuilruimten) hun bivak opgeslagen. Zij voelden zich
hier veel veiliger dan thuis. Voor goede orde was zorg gedragen. Alles
verliep volmaakt ordelijk. Des namiddag om circa 15:30 uur werd door de
Duitsers bevel gegeven dat alle inwoners onmiddellijk Ede moesten verlaten
en zich begeven in de richting Driesprong. Wie na 20:00 uur werd
aangetroffen zou worden doodgeschoten. Het gerucht ging dat Ede zou worden
platgeschoten. Direct werden alle maatregelen genomen om de fabriek te
ontruimen. Tijd voor leegpompen der viscoseleidingen, ketels en oplossers
werd niet gegeven. De centrale werd gestopt, de vuren gedoofd, de
stoomketels afgespuid. Ik heb nog getracht vrijwilligers te vinden die met
mij het risico aandurfden om de viscose te spuien. Dit is echter niet
gelukt. Na rondgang van de gehele fabriek teneinde overtuigt te zijn dat, de
omstandigheden in aanmerking nemend, allen en alles in veiligheid was,
verliet ik de fabriek. Nauwelijks buiten de poort zijnde reden twee Duitse
militairen auto’s het terrein op. Het waren een Major Bauer, een Leutnant en
drie minderen. Ik stond ze te woord. Zij informeerde naar de aard van het
bedrijf en of de afzuigschoorsteen bestijgbaar was. Hierop gaf ik ten
antwoord dat dit laatste, als elke fabrieksschoorsteen mogelijk, doch minder
aangenaam was. De Duitsers hebben in de volgende dagen geen moeite gedaan om
de schoorsteen te bestijgen. Bij het onderhoud wees ik hun op de gevolgen
van hun bevel, dat de fabriek zonder twijfel in geen drie maanden weer in
bedrijf kon worden gesteld, daar de viscose alle leidingen zou dichtzetten.
De schade die daardoor zou ontstaan, was niet te overzien. Daarbij speelde
ik natuurlijk de Vereinigte Glanzstoffen Fabriken in Duitsland uit. Men
scheen in mijn relaas vertrouwen te hebben. Daarbij kwam nog dat zij een
bekendmaking lazen, die onder andere bij de portier was aangeslagen, waarbij
ik het personeel met drang verzocht tegenover de Duitsers een correcte
houding aan te nemen en zich te onthouden van onhebbelijkheden, tegenwerking
en dergelijke. De Luitenant bleek goed Nederlands te kunnen lezen. Ik
verzocht den Major Bauer mij vijftig man ter beschikking te laten, zodat wij
daarmee het bedrijf in gang zouden kunnen houden, dat de langdurige storing
niet zou optreden, met hun familieleden zouden zij in de fabriek onderdak
worden gebracht. De Major was bereid daartoe toestemming te geven. Verder
verklaarde hij, dat de ontruimingsmaatregel niet moest worden beschouwd als
een voorloper van het plat schieten van Ede, doch alleen om vermeende
vermomde officieren, die seinen zouden hebben gegeven, uit Ede te
verwijderen. In de eerste plaats moest nu getracht worden de staf en de
nodige arbeiders, die reeds vertrokken waren, terug te halen. Met de auto
van den Duitsen Hauptmann werd de autobus waarin de staf was vertrokken
achterhaald. Het meerendeel der leden van de staf achten het experiment
gevaarlijk en niet te verantwoorden en adviseerden om niet op het voorstel
in te gaan. Zij wensten Ede te verlaten. Met den Hauptmann keerde ik naar de
fabriek terug, waarbij onderweg Mr Pielage nog werd aangetroffen. Hem gaf ik
de order te blijven en te trachten in zijn buurt stokers, machinisten,
spinners en chem.bedrijf arbeiders nog vast te houden. Zelf zou ik proberen
bij de Driesprong meer personeel tot terugkeer te bewegen.Bij de fabriek
teruggekomen liet de Major de volgende verklaring schrijven:
Zu 11.5.1940
“Herr Direktor Nolet erhält die Erlaubnis mit Frau Gemahlin Richtung De
Driesprong zu fahren und mit etwa 50 Leuten nebst Frauen und Kindern zu
Fabrik Enka zurück zu kehren. Herr Direktor Nolet verpflichtet sich Für
diese Leute ausweise anzustellen in denen die Notwendigkeit ihrer
Anwesenheit aus fabrikatorischen Gründen erforderlich ist. Die Deutsche
Wehrmacht behalt sich vor diese ausweise zu prüfen und abzustellen. Dies
gilt als vorläufiger Ausweis fuhr Herrn Direktor Nolet und Frau Gemahlin.
Ede, 12.V.1940
W.G. Bauer
Major 1e Htl. Kdr 24169
Tijdens mijn zoektocht in het archief kwam ik het vorige als origineel
tegen, hieronder een afbeelding hiervan.
(Willem van Welie)

De voorkant van het origineel:
Hieronder de achterkant van het origineel.

Daarop gingen de militairen en schrijver dezes huns weegs. Met dhr. Thuis
als chauffeur nu eerst met echtgenote, dochter en dienstbode naar De
Driesprong. Daar werden alle mensen (Ede heeft circa 15.000 inwoners!) door
de heide doorgezonden naar Otterlo, Apeldoorn, resp. Wekerom, Lunteren. De
hoofdweg was opgebroken. Toen eerst om 23:30 uur Otterlo was bereikt,
bestond geen mogelijkheid meer om personeel te vinden, maar ook om naar Ede
terug te keren, daar beide toegangswegen versperd waren. Overnacht op de
“Hooge Veluwe”. In het poortgebouw daarvan waren verschillende Enka-leden
die met behulp van een bus waren aangekomen,
Maandag 13 mei 1940. (2e Pinksterdag)
Daar noch op de Hooge Veluwe, noch in Otterlo van ons personeel naar Ede
wensten terug te keren zijn wij eerst alleen ons daar gaan oriënteren. Ede
bleek totaal leeg te zijn, doch volmaakt rustig en onbeschadigd.
Onmiddellijk begonnen met Mr. Pielage en enkele door hem inmiddels
vastgehouden leden van ons personeel om maatregelen te nemen voor in
bedrijfname van de centrale, teneinde de viscose door de leidingen te persen
en pompen. De stoomketels waren echter vrijwel geheel afgespuid, druk daarin
nog 4 atmosfeer, geen vuur en geen stroom van de P.G.E.M., nodig voor de
voedingspompen, onderwing en ventilatoren van de afzuiging; waterreservoir
in de toren vrijwel geheel leeg., daar enige kraantjes waren blijven
openstaan. Naar transformatorstation P.G.E.M. (Stompekamp) om stroom te
krijgen. Machinist gevlucht, was nog afwezig. Toevallig opzichter uit Renkum
getroffen, die op mijn dringend verzoek alles in ’t werk stelde om ons aan
stroom te helpen. Dit gelukte omstreeks 13:00 uur, waarna de ketels gevuld
en opgestookt konden worden. Te circa 15:30 uur werd de turbine in bedrijf
gesteld en met viscosepompen begonnen. Voor hun bijzondere prestatie en
doorzettingsvermogen om de centrale weer in bedrijf te krijgen diene een
woord van grote hulde, aan de machinisten Bakker en Veldkamp en de stokers
van Mourik, Pielage en Wassingmaat en de electricien Neve, die zelfstandig
alle electrische schakelingen, waaronder de hoogspanning van de P.G.E.M.,
heeft verricht. Zij hebben doorgewerkt tot alles goed in orde was . Geen
enkele fout is gemaakt. De fabriek was gered, geen enkele viscoseleiding is
verstopt. Langzamerhand waren inmiddels leden van het personeel komen
opdagen, zodat zij te circa 13:00 uur behalve de portiers 28 man aanwezig
waren. Waarbij de meesters, Pielage, Widra, Boonstra en Dijkhuizen , de
voorlieden v.d. Hurk, (metselaars) Bakker en Veldkamp (1e machinisten),
Whien en v.d Akker (Chemisch bedrijf), Immink en Gerritsen (spinnerij).
Direct werden maatregelen genomen om 15 viscoses te drenken en de volgende
dagen resp. 14, 40, 40, 40, 40 en 40 viscoses. In de daarop volgende dagen
werden per dag weer 60 viscoses gedrenkt. Te circa 16:00 uur openden de
Duitsers met de dicht bij de fabriek opgestelde zware kanonnen een zodanig
vuur op de Grebbe, dat verschillende arbeiders naar huis wensten terug te
keren. Het chemisch bedrijf liep leeg. Mr. Pielage, geholpen door de
voorlieden Whien en v.d. Akker en de arbeider Mulder, hebben echter zelf de
nacht doorgewerkt en de viscoses klaargemaakt. Zij verdienen bijzondere
hulde! Aan allen, die onder de gegeven omstandigheden er de voorkeur aan
gaven om hun families in de schuilruimten in veiligheid te weten, werd
toegestaan vrouw en kinderen hier te laten huizen.Het was interessant gehele
families in de schuilruimten bij elkaar zeer op hun gemak te zien. Dit
duurde nog één nacht.
Op 14 mei vertrokken alle
familieleden naar hun huizen. De ingenieurs kwamen tot mijn genoegen tegen
de avond weer terug en hernamen hun werkzaamheden. Chemisch bedrijf en
spinnerij begonnen op 14 mei nagenoeg voltallig doch in de textiele
afdelingen waren slechts enkelen aanwezig. Eerst werd alleen in dagdienst
daarna in tweeploegendienst en tenslotte in 3 ploegendienst gewerkt. De hele
week na Pinksteren werd in de spinnerij alleen viscose doorgedraaid, alle
doppen afgedraaid en gereinigd en alles een goede beurt gegeven. Dit laatste
gold ook voor de bleek. Van de 264 viscoses die voor deze week reeds waren
gedrenkt moesten 130 in kruimelvorm worden vernietigt, daar het risico,
gelegen in het gebruik van viscoses van verschillende viscositeiten niet kon
worden aanvaard. Op 15 mei kon worden overgegaan tot het drenken van 40
viscoses per dag en op 20 mei tot 60 viscoses. Op zondagavond 19 mei werd
begonnen met het inspinnen. Noemenswaardige storingen kwamen in geen der
afdelingen voor.Tengevolge van de verstoring van telefoon en andere
verbindingen met Arnhem werden, zodra de gelegenheid daartoe bestond,
koeriersdiensten per fiets verricht.Op 22 mei waren de rijkslijnen naar
Arnhem weer vrij en op 24 mei de eigen lijn ook. Zeer veel moeite ondervond
E.V.A., door het herhaaldelijk vorderen van bussen en vrachtwagens zowel
voor Nederlands, maar vooral voor Duits gebruik. Op circa 3.000 liter na, is
bijna de gehele voorraad benzine voor eigen gebruik gespaard gebleven en
vrijgegeven. Alle andere benzinepompen in Ede zijn leeggehaald. Van onze
wagens is tenslotte één verdwenen, (een oude Chevrolet personenwagen).
Andere wagens die vermist waren, zijn inmiddels opgespoord. Het eerste werd
hersteld de bussenloop op Nijmegen, waarmee enige voor ons bedrijf
belangrijke opzichteressen meekomen; vervolgens werden naar behoefte ook
verdere busdiensten ingelegd. Tot onze grote voldoening kan worden
vastgesteld, dat de fabriek volkomen intact is gebleven en dat de
catastrophe, die dreigde aan haar onmetelijke schade toe te berokkenen, aan
haar is voorbij gegaan. Het is wel zeer te betreuren dat een groot aantal
leden van ons personeel min of meer grote offers hebben moeten brengen. Een
9-tal zijn letterlijk alles kwijtgeraakt, bij anderen zijn veel bezittingen
weggeroofd en het aantal fietsen dat is ontvreemd is, is legio. Verscheidene
huizen met inventaris werden door granaatscherven e.d. beschadigd. Het is
voor mij een grote voldoening te mogen vaststellen dat een aantal leden van
ons personeel in de dagen die achter ons liggen, voor de fabriek onschatbare
diensten hebben bewezen. Mijn eerste dank gaat tot dr. Weeldenburg, die mij
met alles terzijde stond en mijn plaats innam wanneer ik niet op de fabriek
aanwezig kon zijn. Verder verdienen in ’t bijzonder te worden genoemd zij,
die alles erop hebben gezet om de fabriek, na de ontruiming op de eerste
Pinksterdag weer in bedrijf te zetten en die er voor hebben gezorgd, dat de
viscose niet in de leidingen coaguleerde. De namen van hen zijn reeds
hierboven vermeld.
Een extra woord van
waardering hebben ook ten volle verdiend: de heer Thuis, de portiers Verbeek
en Brouwer, de commandant en pl.v.v. commandant van de politietroepen
Krebbers en Hettelingh en nog zo vele anderen aan wie de A.K.U. grote dank
verschuldig is. Buiten de fabriek werden voor verschillende diensten door
ons personeel goed werk verricht. Een woord van allerhoogste lof verdient
onze hr Driessen (mag.adm) die als hoofd van de transportcolonne van het
Roode Kruis haast bovenmenselijke prestaties heeft verricht.
Ing. H. Nolet.
Bedrijfdirectuer A.K.U. Ede.