![]() |
Welkom bij de historie van Enka-Ede
De man met de hoed is een tweeluik van roman en hyperroman van Pauline van de Ven. De roman is een familiekroniek die de levens van een fabrikantenfamilie vervlecht met de opkomst en ondergang van een fabriek en met de grotere lijn van de Europese geschiedenis. Zie: http://www.demanmetdehoed.nl/presentatie/Welkom.html In dit deel gaat het verhaal over een sollicitatie naar de functie van onder-directeur bij de Enka in Ede. Zie http://www.demanmetdehoed.nl/Text/Text210.htm
De man met de hoed
Een tweetonige fluit geeft het sein, hij blaast de namiddag plotseling vol rumoer en leven. Het fort spert zijn muil open om een kolkende mensenstroom uit te braken. Stemmen en voetstappen verscheuren de stilte, fietsbellen rinkelen. Voor het plein bij het station splitst de menigte zich in drieën. Een deel slaat linksaf richting Wageningen. Een deel gaat rechtdoor richting Veenendaal, de rest gaat rechtsaf naar Ede Dorp. Veldwachters zwaaien met hun armen, autobussen spuwen zwarte wolken uit. De warme adem van kleine meisjes begint de ramen te beslaan met een mist van lauwe druppels. Naar de Veluwe gaan ze, naar de Betuwe, naar het land van Maas en Waal. Op het perron zet de trein zich in beweging naar Arnhem en Nijmegen.
Michel neemt
zijn hoed af en kijkt omhoog. Achter hem liggen de arbeidershuizen met de
groene tuintjes van tuindorp ‘Vooruit’ in de witbewolkte middag, rondom een
gevarieerd landschap van loof- en naaldbomen, bloeiende bermen en heide.
Recht voor hem staat een massief fort van donkere baksteen. Op elk van de
vier hoeken staat een torentje zoals peuters ze op kastelen tekenen, grappig
dun en klein. Opzij van het gebouw staan een paar buschauffeurs in uniform
te lanterfanten naast een stuk of twintig plompe blauwe personeelsbussen. Er
komt geen eind aan de lopende en fietsende mensen. Tegen de stroom in loopt
hij naar de poort. Hij had zich in gedachten een voorstelling van dit
bedrijf gemaakt, maar niet dat het zo groot was.
‘Goed dat u gekomen bent, Dumont!’ Hartogs stem is dan wel zacht maar zijn handdruk jaagt Michels trouwring in zijn vlees. Hij heeft de bazige, opgeruimde blik van een hoge militair. Soms vraagt hij iets, maar voordat Michel ja of nee kan zeggen heeft hij zelf al het antwoord gegeven. ‘Zal ik u eerst langs de verschillende afdelingen leiden? Laten we dat maar doen. Dan weet u meteen waar u aan toe bent!’ Michel volgt zijn gastheer door een heleboel deuren. Blijkbaar heeft iemand goed nagedacht over de indeling van het gebouw. Het is opgetrokken in een U-vorm die precies de bewerking van grondstof naar eindproduct volgt. In de ene top komt de cellulose als grondstof binnen. In de lus van de U vinden in volgorde alle bewerkingen plaats. Aan de tegenoverliggende top van de letter verlaat de gesponnen draad als eindproduct het gebouw. In het midden, op het grote plein, staat een kolencentrale van twee megawatt.
Gedienstig opent de volgende portier een volgende deur. Sinds hij door de
poort is binnengekomen heeft Michel al zes geüniformeerde deuropeners
geteld. ‘Hier zijn we begonnen met het eerste draadje kunstzijde,’ zegt
Hartogs. ‘Dat was in maart 1913.’ Hij probeert boven het lawaai van de
machines uit te komen, maar zijn zachte stem slaat over. Hij trekt Michel
aan zijn mouw mee naar de kant. ‘Het jaar daarop maakten we al elfduizend
kilo. Elfduizend! We hebben hier vierenvijftigduizend vierkante meter grond.
Daarom hebben we deze plaats gekozen, de grond was goedkoop en het water is
zacht. Het was niet meteen een soepele, gelijkmatige draad… Maar hij werd
lichter. En steeds dunner, Dumont. Lichter en dunner. Hoe dunner, hoe
waardevoller! De draad van de
zijderups is één denier. Dat wil zeggen dat negenduizend meter spindraad van
de zijderups één enkel grammetje weegt. Dezelfde hoeveelheid spindraad uit
onze fabriek woog eerst veertien gram. Nu nog maar acht, en we zakken nog
steeds.’
‘Alsjeblieft,’ zegt Michel geïmponeerd. Een portier doet de volgende deur
open. Opeens tranen zijn ogen alsof hij een kilo uien heeft gepeld. ‘Dit is
het spinbad,’ wijst de gastheer. ‘En daar is de spinnerij. Hier wordt de
cellulose gesponnen tot viscose draden. Die worden op spoelen gezet en
gewassen en gedroogd.’ De mannen die hier werken hebben allemaal rode,
tranende ogen, ziet Michel. Neergelaten rolluiken hullen de ruimte in het
schemerdonker, kunstlicht is er evenmin.
‘Veel meisjeshanden, hè? Ja,’ zegt Michel, onwillekeurig de
vraag-en-antwoordstijl van zijn gastheer overnemend ‘Er werken hier ruim
drieduizend vrouwen,’ beaamt Hartogs. ‘Vooral kleine meisjes, hè? Ze komen
uit de wijde omtrek. Het is niet zo gemakkelijk om aan personeel te komen,
hoor. Er is veel verloop… Die meisjes hebben het niet makkelijk. Ze komen
van ver. Vroeger hadden ze hun kerk en hun familie, en een dorp waar ze
groente verbouwden en kleinvee hielden. Dat waren hun vaste patronen, die
zijn ze nu allemaal kwijt. In plaats daarvan hebben ze de fabriek en hun
loonzakje. Acht gulden in de week. Maar zonder familie en zonder sociale
structuur.’ ‘Toch anders een goed loon,’ zegt Michel. ‘Dat wel. Maar een
groot verschil in levensstijl, hè? Heel groot! Gelukkig hebben we met de
gemeente kunnen afspreken dat de soldaten van de kazerne voortaan aan de
andere kant van de spoorlijn blijven. Het leidde af, hè? Ja! Het leidde onze
meisjes erg af! Mijn vrouw probeert nu wat vertier te brengen met een
breiclubje. Er is ook een cursus figuurzagen voor de mannen. En onze
ingenieurs hebben een zwembad in voorbereiding met heerlijk warm koelwater
uit de fabriek.’
In stilte puzzelt Michel het beeld bij elkaar. Hartogs lijkt een autoritaire
man. Het arbeidsregime is streng, her en der staan bordjes met handelingen
waar boetes op staan. Maar hij betaalt een goed salaris en hij heeft oog en
hart voor zijn personeel. Een prachtig tuindorp heeft hij voor ze laten
bouwen, de huizen zien er keurig netjes uit. Hij heeft ze onderweg gezien,
rijtjeshuizen zoals ze niet vaak gebouwd worden. Een mooie, sobere
architectuur, degelijk en toch sierlijk, en uit solide materialen. Met
besloten groene hofjes achter bogen van baksteen, ramen in art-decostijl van
drie repen glas boven elkaar. Omringd door goudsbloemen en afrikaantjes in
groene tuintjes, sommige verbazend groot. De fabriek mikt natuurlijk op
gezinnen die gezegend zijn met vele kleine meisjes. Deels eigenbelang
natuurlijk; Ede is een klein plaatsje, om aan werknemers te komen moet hij
ze eerst huisvesten – maar toch. Zijn waardering voor Hartogs sociale beleid
slaat om in verbijstering als portier nummer veertien de volgende deur
openzwaait. In een klein, kaal kamertje staat een vrouw naast de stoel van
een meisje dat gekleed is in een blauw fabrieksjurkje. Ongeduldig slingeren
de benen van het meisje heen en weer, haar voeten komen niet bij de grond.
Zacht en week ligt haar handje in de grote hand van de pedicure. Onder de
vijl ruist fijn stof naar beneden. Met grote ogen kijkt Michel naar de
manicure. ‘Om beschadigingen aan de draad te voorkomen, hè? Ja!’ zegt
Hartogs met een glimlachje. Het meisje kijkt op. Ze is een jaar of veertien,
haar blik is leeg en haar mondhoeken wijzen treurig achter het stof van haar
nagels aan. Terug in kantoor laat Hartogs zich vermoeid op zijn stoel zakken
en bet zijn voorhoofd. Als hij is uitgehijgd biedt hij Michel de baan van
onderdirecteur aan. ‘Overweeg het,’ vraagt hij. ‘Neem rustig de tijd.’
Op een koude dag in januari 1928 bespreekt Michel het voorstel van Hartogs
met Hanni. Ze lopen over de bevroren Waal naar Lent, de wind bijt in hun
neus en oren. Onder hun voeten kraakt het ijs, een koude winterzon strooit
er gloeiende splinters over. Hanni’s adem maakt witte pluimpjes, zo scherp
worden ze afgetekend in de blauwe lucht dat het verbazend is dat er geen
tekst in staat.
En kunstzijde is ab-so-luut een gouden product.
‘Maar hij is toch helemaal nog niet zo oud? Zoekt hij nu al opvolging?’ ‘Hij
is van 1879, precies even oud als ik. Een goed jaar, Hanni, Thomas Alva
Edison vond de gloeilamp uit! Weet je dat kunstzijde uit de gloeilamp
voortkomt? Dat wist je niet, hè? De gloeilamp had destijds een gloeidraad
van verbrande bamboevezel, maar die was heel zwak. Toen verwierf een Franse
graaf, De Chardonnet, onthoud die naam, Hanni, een patent op een draad van
nitraatcellulose. Een groot fiasco, hij vloog steeds in brand. Voor
gloeilampen was hij onbruikbaar. Maar dat was de geboorte van kunstzijde.
Nitraatcellulose. De Chardonnet. Een groot denker!’
‘Het is zo’n risico. Waar moeten we van leven als het fout gaat? Wat gebeurt er met jou en de kinderen? Als je ziet wat er met de Gulikers is gebeurd toen ze over de kop zijn gegaan… Dat zou ik me nooit vergeven.’ ‘Verschrikkelijk,’ beaamt Hanni. ‘Liebling, ik heb het koud. Zullen we omdraaien?’
‘Neem mijn sjaal zolang. Hoe vaak kunnen we nou over de bevroren Waal naar
Lent lopen? Misschien maar één keer in ons leven…’ ‘Ik denk toch, als je nog
eens eigen baas wil worden, dat je het nu onderhand moet doen. Je bent
achtenveertig, nu heb je er nog de energie en de kracht voor. En nu heeft
het ook nog zin voor de jongens. Dat was toch onze droom… Wie niks waagt,
presteert en wint ook niks in het leven. Je hoeft heus niet zo bang te zijn.
Je kunt het, ik weet het zeker. Je hebt zoveel kennis en ervaring…’
Raad eens…’Michel glimlacht vertederd. Ze was natuurlijk trots, en waarom
niet, elke cent die ervan over was, was een prestatie. Ze deed er altijd een
beetje geheimzinnig over en hij liet haar graag het plezier om al was het
maar met het hakje van één schoen in de financiële wereld te staan. Nu en
dan een aan- of verkoopopdracht aan de bank uit te schrijven, een
jaarverslagje uit te pluizen, een plannetje uit te denken. Hij pakt haar
hand en stopt hem in zijn jaszak. ‘Duizend gulden!’ raadt hij. ‘Aber Miki…
Je beledigt me. Zou dat alles zijn wat ik ervan gemaakt had, in negen jaar
tijd?’ ‘Tweeduizend…’ ‘Aber nein! Het was toch al zesduizend gulden waard
toen ik het overnam.’ ‘Ja,’ zegt Michel. ‘Bijna twee ton Reichsmarken.
Zesduizend gulden. Verschrikkelijk… Met die inflatie. Nou, wat zal ik
zeggen, zevenduizend?’ ‘Acht? Dat zal toch niet?’
Sprakeloos staart Michel het na. In de stilte rondom zwiept het ijs.‘Dat
is onmogelijk,’ brengt hij uit.
‘Ik ben realist, Dumont. De beginperiode van een product brengt altijd het meeste op. De pioniers verdienen groot geld en dat brengt kapers op de kust. Zo is het, en zo hoort het ook. Zo ontstaat welvaart. Dat is het mooie van dit systeem, en ik heb liever u als concurrent dan een ander, want u bent recht-door-zee. Waarom denkt u dat ik deze fabriek zo haastig heb uitgebreid? Om maximaal te profiteren van de beginjaren. Het heeft goed gewerkt, we hebben gouden omzetten gedraaid. Winstmarges van twee- en zelfs driehonderd procent. Die tijd is voorbij. Het heeft ons een voorsprong gegeven waar we hopelijk nog lang mee toe kunnen. Want geloof deze ouwe rot in de zijde maar, de vette jaren liggen achter ons. De concurrentie wordt heviger, de prijzen
dalen, de marges krimpen. De kostprijs, Dumont, daar draait nu alles om. De
kostprijs is de sleutel tot succes. Als u die omlaag krijgt zult u slagen –
anders niet. Bedenk wel, u hebt niet alleen met de Enka te maken, maar ook
met de Hollandsche Kunstzijde Industrie in Breda. En dan heb ik het nog niet
over de Duitse concurrentie.’ Tot zover het verhaal waarin Dr. Hartogs voorkomt. Voor de rest van het verhaal kunt u op de volgende link klikken. http://www.demanmetdehoed.nl/Text/Text08.htm
|