|
De
laatste slag om Arnhem april 1945.
Colonel R.H. Tierney
Indertijd was ik
artillerieofficier en voerde het bevel over een batterij
veldgeschut. Mijn taak was het onderhouden van contact met het
hoofdkwartier van het 2e bataljon The Gloucester Regiment. Dit
bataljon was het eerste dat de IJssel overstak voor de laatste
aanval op Arnhem en de daaropvolgende bevrijding in ongeveer
midden april 1945. Ik kan mij de juiste data niet meer precies
herinneren daar alles al zo lang geleden gebeurde. Deze foto's
werden vóór de slag aan de troepen in de frontlijn uitgereikt om
ze vertrouwd te maken met het terrein waarover wij zouden
aanvallen.
Gedurende
de winter van 1944/45 hielden wij ons op in het dorpje Elst en
onze obser- vatieposten hadden Arnhem reeds maandenlang in het
oog gehouden.
Wij namen deel aan de operatie
die de Duitsers van het "eiland" verdreef (zo werd het gebied
tussen Arnhem en Nijmegen genoemd). Na het volbrengen van deze
opdracht trokken wij door Bemmel, staken de Neder-Rijn ten
oosten van dat dorpje over en concentreerden ons in het gebied
ten zuidoosten van Westervoort. Voor de eigenlijke aanval op
Arnhem zorgden wij voor zeer zware artilleriesteun, waaronder
zelfs een raketbatterij, die het gebied rond het fort bij de
spoorbrug onder vuur nam; ongeveer 72 stuks veldgeschut dat voor
een rookgordijn zorgde om ons aan het gezicht van de Duitsers,
die zich op de heuvels ten noorden van Arnhem bevonden, te
onttrekken, alsmede een
groot aantal stukken zwaar geschut. Om u een idee te geven van
de intensiteit van het vuur: mijn eigen batterij van 8 stuks
geschut loste 640 salvo's gedurende de eerste 10 minuten van hun
vuurplan. U zult zich nu wel kunnen voorstellen waarom de
fabrieken zo zwaar werden beschadigd.
Voor de werkelijke aanval over
de IJssel trokken wij 's nachts, in amfibische
troepen-transporteurs die wij "crocodiles" noemden, het gebied
bij Westervoort binnen, net achter de hoge rivieroever. Hier
bleven wij een tijd wachten terwijl de artillerie haar vuurplan
afwerkte en de granaten over onze hoofden floten. Daarna trokken
wij in de ochtendschemering de rivier over. Het doel van onze
Compagnie op de rechtervleugel was het fort en zij leed een
aantal verliezen bij het doortrek- ken van een mijnenveld,
alvorens zij haar doel bereikte. Onze compagnie op de
linkervleugel trok voorwaarts om de fa- brieksterreinen te nemen
en deze opdracht werd met succes uitgevoerd. Het hoofdkwartier
van ons bataljon werd gevestigd in een klein gebouw dat voor het
grootste gedeelte beneden de begane grond lag; om de deur te
bereiken moesten we via een trap zes meter diep afdalen. Dat
gebouw staat er nu nog. Ik richtte ook een observatiepost in in
de kleine ronde toren boven op de fabriek en daarvandaan volgden
wij de andere twee bataljons van onze brigade. Deze trokken,
door onze stellingen heen, Arnhem binnen. Wij maakten een groot
aantal gevangenen, consolideerden onze positie, ruimden mijnen
op, enzovoorts.
Naderhand trokken wij de
provincie Utrecht binnen en hielpen bij de ontwapening van het
Duitse leger in Holland.
Holland
helpen bevrijden schonk mij veel persoonlijke voldoening, daar
ik half Nederlands ben. Mijn moeder was de dochter van Jonkheer
Gasper Hugo Quirin Van Kinschot die in 1830 in Zutphen werd
geboren en in Dieren, een dorp niet zo ver van Arnhem af,
begraven ligt. Ik heb dan ook in Nederland veel familie die deze
naam draagt. |