|
Merkwaardigheden en bijzonderheden in
het bedrijf tijdens de oorlogsjaren.
Het bombardement & De
plundering.
Het is niet te verwonderen,
dat door de oorlogs- en bezettingsomstandigheden toestanden
optraden, die geheel buiten de normale omstandigheden ondenkbaar
waren.
Luchtbescherming.
In de eerste plaats moeten dan de
luchtbeschermingsvoorschriften worden genoemd. Nadat wij reeds
in 1939 tot gehele verduistering van de fabrieksruimten waren
overgegaan en dus dag en nacht in de afdelingen met kunstlicht
moesten werken, werden in 1940 5 schuilkelders en 4 onderkomens
gebouwd, terwijl een lange schuilloopgraaf en een 3-tal
schuillokalen onder de hoektoren der fabriek werden ingericht
met behulp van zandkisten en zakken. Één onderkomen werd in de
ruimte onder de schoorsteen ondergebracht. Onder onderkomen
wordt verstaan een beveiligde schuilruimte, waarin de
hulpdiensten voor redding werden ondergebracht b.v. brandweer,
reddingsbrigade, politie, gasverkenners, technische diensten
enz. Onder het nieuwe gedeelte der melkwolfabriek werd een
speciale schuilkelder gebouwd, die vanaf einde 1943 voor de
reddingsbrigade en verbandplaats werd ingericht. Dit werd het
centrale punt van de geneeskundige dienst, omdat de
verbandkamer, middenin de fabriek gelegen, niet voldoende te
beveiligen was. Voor de kantoorbeambten werd een gedeelte van de
hal van het kantoorgebouw als schuilplaats ingericht. De
onderkomens werden door een afzonderlijke telefonist verbonden
met de telefooncentrale, waarin de staf van de
luchtbeschermingsdienst zitting hield. Op het dak van het
poortgebouw was een glazen huisje als uitkijkpost geplaatst met
telefoonverbinding en verdere benodigdheden voor oriëntering en
richtingsbepaling. Een versterkte schuilplaats was voor de
waarnemers ingericht. De wachtpost was oorspronkelijk alleen des
avonds en des nachts bemand, doch vanaf einde 1939 ook overdag
door 2 of 3 man. Hoofd van de luchtbeschermingsdienst was de
heer Stoltenhoff. Nadat, naar gelang van de omstandigheden in
den beginne enige enigszins afwijkende voorschriften hadden
bestaan, voltrok zich de alarmering tenslotte op de volgende
wijze:
Bij naderende vliegtuigformaties
(vastgesteld door eigen waarneming of door waarschuwing door
L.B. fabriek Arnhem of de gemeentelijke L.B.L.) gaf de
wachtdienst per telefoon aan de telefoniste of portier door:
"vooralarm", waarop van het oproepsignaal in alle
fabrieksruimten de 5 onderste lampen worden ontstoken. Het einde
van het vooralarm werd gegeven door de 2 bovenste signaallampen.
Was het luchtgevaar zodanig, dat het personeel in de
schuilkelder moest gaan, dan liet de telefoniste of portier op
aanwijzing van de luchtwacht alle signaallampen ontsteken en een
sirene loeien die in de centrale, waarop de machinist de
spanning op het lichtnet terugzette op 40 Volt. De
fabriekslokaliteiten werden daardoor verduisterd, zodat het
werken er onmogelijk werd. Door het opbrengen van de
lichtspanning op aanwijzing van de luchtwacht werd het einde van
het luchtgevaar aangegeven. In het kantoorgebouw, dat niet
verduisterd was, werd door een sirene de alarmtoestand
aangegeven. Dit systeem van alarmeringen heeft goed voldaan.
Veel moeite werd veroorzaakt, doordat vele arbeiders zich in de
schuilruimten onder de torens niet veilig achten en de voorkeur
gaven aan het lopen naar buiten. Tenslotte hebben wij een lange
schuilloopgraaf ten oosten van de fabriek voor hen gegraven.
Behalve de bovengenoemde bewaking, die ook moest letten op de
naleving van de verduisteringsmaatregelen der fabriek, werden op
de tijden, dat in de lokalen niet gewerkt werd (b.v. 's zondags)
door speciale bewakers uit het personeel gekozen, wacht gelopen.
Des nachts was steeds een der
leden van de staf of andere hogere beambten of hoofdmeesters in
de fabriek aanwezig als "hoofd van dienst", terwijl ook des
Zondags steeds een meester "dienst" had. De totalen kosten
besteed aan luchtbescherming, met inbegrip van de inrichtingen
der schuilkelders, onderkomens signaalsysteem en
bewakingsdienst, hebben een bedrag uitgemaakt van ruim f
187.000.-, gerekend vanaf 1939 tot September 1944. In de eerste
oorlogsjaren, toen de dagdienstafdelingen nog niet verduisterd
waren, werden de werktijden geregeld naar de
verduisteringstijden. Elke 14 dagen traden wijzigingen op. De
eerste kennismaking met bommen en granaten vond plaats in de
nacht van 27 augustus 1942 toen tegen 23:30 uur een paar
vliegerbommen (vermoedelijk luchtmijnen) in de uiterste zuidwest
hoek van het fabrieksterrein vielen, waardoor niet alleen het
woonhuis van Dr. Kaatelein geheel werd verwoest, doch ook grote
schade werd aangericht in de huizen bewoond door de heren, v.d.
Kroon, Ziegier, Widra, v. Glabbeek en gebouw de Reehorst. De
schade voor de fabriek bestond hoofdzakelijk uit de vernieling
van circa 1200 vensterruiten en shedramen, waardoor plotseling
een zee van licht uitstraalde. Met hulp van een groot aantal
textieljongens werden de ramen zo goed mogelijk met papier enz.
gedicht, zodat na een uur de fabriek weer geheel was
verduisterd. De bommen vernietigden een groot aantal bomen en
het hekwerk van de fabrieksomheining. Tot 10 April 1943 bestond
het alarmsignaal o.a. uit het doen flikkeren van alle
signaallampen. In de nacht van 9 op 10 April 1943 werd door ons
alarm gemaakt, toen een groot aantal Engelse vliegers
overtrokken. Aan de voorzijde der fabriek in het
textiellaboratorium was een klein ruitje gebroken, waardoor
indirect de lichtschijnsels van het alarm naar buiten schenen.
Dit werd opgemerkt door de Duitse luchtdienst met het gevolg,
dat, na tevoren telefonische mededeling te hebben gedaan, de
kommandeur der marine aan de Ortskommandant een schrijven
richtte, waarin wij ervan beschuldigd werden met een zaklantaarn
signalen te hebben gegeven aan vijandelijke vliegers. Na
herhaalde bezoeken van de politie instanties, een bezoek aan der
Ortskommandant en besprekingen met den Marinekommandeur door
schrijver dezes, werd het misverstand in der minne opgelost.
Veiligheidshalve hebben wij de flikkersignalen stopgezet. Begin
1944 moesten wij op order van de Duitse autoriteiten de
centrale, de transformatorenstations en het schakelhuis door een
voorgebouwde dubbele muur (met zand opgevuld) tegen
bommenwerking beschermen. Deze muren hebben later goed werk
gedaan. In de loop van 1943 werden door de Duitse militairen
nagenoeg alle prikkeldraden van onze terreinomrastering
verwijderd, teneinde te worden gebruikt voor militairen
doeleinden. Protesten bij bevoegde zijde hadden geen resultaten.
De bewaking van de fabriek werd hierdoor in hoge mate
bemoeilijkt.
Nagenoeg al onze autobussen en
vrachtwagens werden door de Duitser "sichergestellt" en stonden
onder geregelde controle. Elke reparatie moest aan de militaire
autoriteiten worden gemeld, evenals elke buitengebruikstelling.
De Duitsers moesten steeds op de hoogte zijn van de plaats waar
op elk uur van de dag onze auto's aanwezig waren en zij deden af
en toe steekproeven ter controle. April 1944 werden de opgelegde
autobussen in beslag genomen en weggehaald. Toen in September
1944 de intocht van de geallieerde legers in het zuiden van ons
land goede vorderingen maakte en in 't bijzonder na de beroemde
"Dolle Dinsdag", moesten we van de Duitsers een einde aan de
productie maken. Op 14 September 1944 werd de laatste viscose
gedrenkt. Het was de bedoeling onzerzijds om de gedrenkte
viscoses geheel op te spinnen en de zijde tot het eindproduct af
te werken. Het heeft echter niet zo zullen zijn. Nadat in de
morgen van Zondag, 17 September 1944, eerst zwermen Engelse
vliegtuigen over Ede kwamen en een paar jagers de beide
locomotieven, die op het spoorwegemplacement stonden, met
mitrailleurvuur lek hadden geschoten, viel om 11 :37 uur de
eerste raketbom in de tuin van schrijver dezes, gevolgd door een
regen van bommen op de fabriek en het fabrieksterrein. Binnen 10
minuten tijds werden 86 bommen uitgeworpen. Blijkbaar is het de
bedoeling geweest om onze centrale buiten werking te stellen.
Het was een geluk, dat het op een zondag geschiedde, want
daardoor was slechts weinig personeel in de fabriek. De
luchtbeschermingsdienst had op tijd alarm gemaakt, zodat een
ieder zich in veiligheid heeft kunnen stellen. Het is daaraan te
danken, dat er geen slachtoffers zijn gevallen, behalve één
spinner, die, tegen de uitdrukkelijke voorschriften en herhaalde
waarschuwingen in, zijn veiligheid op het vrije veld ten Oosten
van de fabriek heeft gezocht en daar door een bomscherf dodelijk
werd getroffen. De 17 September was voor Ede een zeer sombere
dag, want de bombardementen bleven die dag niet tot 's-morgens
beperkt. Ook des namiddags werden, vooral bij en op de
stationsweg en de kazernes, meerder bombardementen uitgevoerd,
zodat het aantal slachtoffers onder de bevolking op 70 doden
kwam te staan. De schade in het dorp en voornamelijk in het
wooncomplex van de "woningbouw" was zeer aanzienlijk. Vele
woningen werden totaal vernield, waarbij verscheidene leden van
de fabriek dakloos werden. Voor de fabriek was de schade
catastrofaal. Het ergste beschadigd was het technische magazijn,
waarin brand was ontstaan, die zich snel uitbreidde door de vele
brandbare artikelen als oliën, vetten, geïmpregneerde
kurkschalen enz. Onmiddellijk werd met man en macht de brand
bestreden, doch dit liet zich oorspronkelijk hopeloos aanzien,
omdat door de bommen het gehele waterleidingnet onbruikbaar was
geworden. Onze motorbrandspuit, die, nieuw geleverd, door gebrek
aan benzine vooraf niet voldoende kon worden geprobeerd, nadat
herhaalde wijzigingen aan de pomp en aan de zuigslangen nodig
waren geweest, weigerde beslist water te geven. Met kunst en
vliegwerk gelukte dit tenslotte. Direct was hulp ingeroepen van
de Gemeentebrandweer en die van Bennekom en Lunteren, die
spoedig met brandspuiten ter plaatse waren en zeer goed werk
hebben verricht. De voorzorgsmaatregel, die wij reeds lange tijd
tevoren hadden getroffen, om het waterniveau in het grote afval
bassin tot een belangrijk hoger peil dan normaal op te voeren,
bleek thans van groot belang te zijn. Alle bluswater moest
hieraan worden onttrokken, zodat tenslotte de voorraad geheel
was opgebruikt. De brand duurde tot laat in de avond met
uitzondering van een stapel vrijwel ontoegankelijke
geïmpregneerde kurkschalen en platen, die nog twee dagen smeulde
en af en toe weer oplaaide. Hoofdzaak was het overslaan van de
brand op de aangrenzende gebouwen te voorkomen. Het
mannenkleedlokaal had direct ook vlam gevat, doordat een daar
doorlopende gasleiding door een scherf was lek geworden. Het
uittredende gas stak de dakgoot aan, waardoor het kleed- en
schaftlokaal grotendeels uitbrandden. De lokalen van de
geneeskundige dienst konden bijtijds worden ontruimd en bleven
met veel moeite gespaard. De hoofdgasleiding werd direct
gesloten. Het magazijn brandde volkomen uit. De ijzeren
dakconstructie stortte tegen de avond in. De brand bleef tot
deze afdelingen beperkt. Onder de door bommen beschadigde
afdelingen moeten in het bijzonder genoemd worden:
De perskamer.
De perskamer die door
splinterbommen op het dak alle shedramen verloor en grote gaten
in het dak en in de Noord en Oost muren kreeg. Het lokaal geleek
één ruïne. De nog aanwezige stapels cellulose werden zo spoedig
mogelijk naar elders gebracht om verdere beschadiging te
voorkomen.
De loogkamer.
Ook hier zeer grote dakschade,
terwijl veel splinters en scherven gaten in leidingen en tanks
hadden geslagen. Vele loog leidingen werden onherstelbaar
vernietigd. Evenals in de perskamer maakte de vallende
plafondbekleding van riet en gips een troosteloze indruk. Puin
en nog eens puin!
Maalkamer.
Van de maal kamer en mengkamer
waren alleen vele shedramen gebroken en omlaag gekomen.
Binnenplaats.
Op de binnenplaats waren vele
bommen gevallen, waardoor vooral een groot gat in de muur van
het laboratorium in de kamer van de chef-chemicus erge schade
veroorzaakte.
Electrische centrale.
Het gebouw van de electrische
centrale werd op verschillende plaatsen zwaar beschadigd.
Gelukkig was het uitsluitend dakschade, doordat de
splinterbommen (van circa 125 kg gewicht) direct bij aanraking
van het dak explodeerde. De neerstortende ramen en dakbekleding
veroorzaakten in de centrale grote schade.
De veiligheidsbeschermingskasten
om de turbines en de schakelborden hebben alles uitstekend
opgevangen. Schade aan pijpleidingen door scherven waren evenwel
talrijk. Deze konden vrijwel alle weer gelast worden. Dit was
voornamelijk in het ketelhuis bij ketel 8 en in de
waterontijzeringsafdeling.
De beschermingsmuur, die wij om
de machinekamer hadden gebouwd, heeft veel scherven opgevangen,
die zonder twijfel anders de machinerieën zouden hebben
beschadigd. De boven de machinekamer liggende bedrijfskantoren
leden veel glasschade. De inrichtingen werden door elkaar
geworpen, waardoor grote wanorde ontstond. Door een bom in de
electriciensafdeling moest deze geheel ontruimd worden, daar zij
in één ruïne herschapen was.
Hier was de schade belangrijk.
Het transformatorgebouw op de binnenplaats kreeg een bom op het
dak, waardoor de schakelinrichting werd verwoest, terwijl alle
drie trafo's door scherven werden beschadigd. Verder was een
voltreffer gekomen in het centrale magazijn van de
fabrieksbrandweer op de binnenplaats, waardoor dit geheel uit
elkaar geslagen werd evenals de daarnaast gelegen
reparatiewerkplaats van transportwagens en de
olieregeneratieafdeling. Alle reserve brand blusmiddelen,
Minimax enz. waren verloren. Hiervan ondervonden wij bij de
blusssing van de brand van het magazijn grote moeilijkheden. Ook
de grote lagedruk stoom leidingen, die langs het
brandweermagazijn liepen, werden zwaar beschadigd. Het dak van
de bankwerkerij werd aan de Noordzijde van al zijn shed en
andere ramen beroofd.
Deze werden zo spoedig mogelijk
door aluminium platen vervangen. De aanhoudende regens hadden de
vloeren van de bankwerkerij dusdanig gedrenkt, dat deze blokjes
vloer zich tot heuvels opzette en dan in elkaar stortte. De
halve bankwerkerij werd zodoende van haar vloer beroofd. De zich
aan het einde der oude twijnerij bevindende spoelenafsnijbaan
kreeg een voltreffer, die ook het dak daarboven zwaar
beschadigde. Door deze en nog een tweetal bommen, die bij de
A-rij aan het einde dier twijnerij gaten in het dak sloegen,
werd de uit eenheidsdeuren bestaande omheining onzer
"egelopslagplaats" (spoelenconditioneling) totaal weggeslagen.
Een tweetal bommen als
voltreffers bij het begin der A-rij in de twijnerij en een
tweetal juist buiten de muur, benevens twee blindgangers tussen
de twijnmachines, veroorzaakten onder de oude twijnmachines
grote schade. Even later kom ik hierop nog nader terug. Ook
vernietigde een voltreffer enige van onze nieuwste
Rietertwijnmachines, die nog niet in bedrijf waren geweest. Het
dak boven de Rietertwijnerij werd zwaar beschadigd en vrijwel
geheel glasloos geslagen.
Gezien de grote waarde dezer
machines was naast de centrale ons eerste werk dit dak weer met
aluminium platen dicht te maken. De nieuwe twijnerij werd
hoofdzakelijk beschadigd door een bom, die het was en
kleedlokaal der twijnjongens grotendeels wegsloeg en de muur
tussen deze afdelingen en de twijnerij doorbrak. Ook maakten
enkele grote scherven gaten boven de twijnmachines in de
sheddaken. De bankwerkerij der twijnerij werd verwoest door een
bom, die aan de buitenmuur dier afdeling neerkwam en de muur
wegveegde. De spoelenafdeling aan de frontzijde der fabriek werd
zwaar getroffen, ten dele door daktreffers en door bommen aan de
buiten zijde van het gebouw. Veel dak- en glasschade. De afval
blekerij werd gehavend door de bommen, die op het voorterrein
der fabriek neerkwam en vrijwel alle ruiten uit die afdeling
wegnam. De bommen, die aan de Oostzijde der fabriek vielen,
hebben zowel van de Oost muur als de beide torengebouwen vrijwel
alle ruiten gekraakt. Op verschillende andere plaatsten hebben
bommen nog schade aangericht. Zo vielen in de doorgang van de
binnenplaats 1 naar 2 een drietal neer, die de spoorrails en de
ingang naar de conerij verwoesten. De magazijngebouwtjes op de
binnenplaats 2 werden ook beschadigd door scherven. Deze drongen
op ettelijke plaatsen dwars door de muren heen.
Verscheidene brandspuithuisjes
werden weggevaagd. Een daktreffer veroorzaakte nog een groot gat
boven de schilderwerkplaats, die daardoor onbruikbaar werd en
beschadigingen aan de belendende magazijnen ten gevolge had.
Tenslotte nog een geluk bij een ongeluk, omdat onze oude en niet
meer te moderniseren spoelenafbranderij bij de blekerij
practisch geheel met de bodem werd gelijk gebombardeerd. Nu
krijgen we hiervoor tenminste een betere inrichting!
Met deze globale opgaaf zijn de
voornaamste beschadigingen door het bombardement van 17
September 1944 aangegeven. Het zou echter niet hierbij blijven,
want er volgden nog enige andere, echter minder heftige
bombardementen. Deze waren hoofdzakelijk bestemd voor twee
locomotieven, die reeds op 17 September kapot geschoten waren en
daarna geplaatst waren op het rangeerterrein voor de twijnerij.
Toen op 23 november drie bommen daarop werden gericht, die
evenwel op onze Rieter- en oude twijnerij terechtkwamen,
veroorzaakten deze weer grote schade aan de machines en daken.
Zoals ik reeds zeide, hadden wij alles gedaan om zo gauw
mogelijk de Rieterafdeling weer dicht te krijgen. Door de nieuwe
bommen werd dit werk weer tenietgedaan. Alle aluminium platen
vlogen van de daken en de machines werden weer blootgesteld aan
de onophoudelijke regens. Tengevolge van deze en de vorige
bommen waren er van de genoemde geheel nieuwe Rieters 6 totaal
of grotendeels verwoest en van de overige zullen tenslotte nog 3
of 4 tot bruikbare machines gecombineerd kunnen worden. Tussen
de oude- en de Rietermachines waren inmiddels 9 voltreffers en 2
blindgangers terechtgekomen. Toen het bleek, dat de locomotieven
de doelwitten waren van de bommenwerpers hebben wij bij de
Duitsers direct moeite gedaan die voor de fabriek vandaan te
krijgen. Dit gelukte niet. Waarop wij volgens de regels der
kunst gingen camoufleren. Bovendien trachten wij, met behulp van
de ondergetekende", de Engelsen te laten weten, dat de
locomotieven reeds kapot waren en het dus geen zin had er nog
meer bommen op te gooien. Dit alles hielp ook niet, want nog
tweemaal zijn er, zonder te raken, bommen op gegooid die wel aan
de fabriek schade brachten. Ernstige schade veroorzaakte ook een
bom, die op 23 November blijkbaar op onze afzuigschoorsteen
bedoeld was. Hij was er juist naast en beschadigde de
afzuigleidingen zeer zwaar; de muur van het spinnerijmagazijn
werd weggedrukt en alle ramen van de instrumentmakerij
uitgebroken. Deze afdeling ondervond daarvan veel schade. Later
bleek, dat in de directe nabijheid van de schoorsteen nog twee
blindgangers van 250 kg waren neergekomen. De laatste
bomaanvallen, waardoor wij alleen veel glasschade en scherven
door de daken kregen, hadden plaats op 24 Februari 1945 en op 24
Maart 1945 door 6 bommenwerpers.
Deze laatste gooide 12 bommen
achter en tegenover de fabriek. In totaal waren er 100 bommen op
de fabriek geworpen, waarvan 21 in de fabrieksgebouwen
terechtkwamen, 18 in de directe nabijheid der gebouwen en 8
blindgangers. De overige vielen op verder afgelegen gedeelten
van het fabrieksterrein. Door de bommen werden 1088 m2 muur
vernietigd 5902 m2 van de daken en 578 m2 vloeren en
bestratingen en ettelijke duizenden glasruiten. Onze
luchtbeschermingsuitkijkpost op het hoofdgebouw is door
mitrailleurvuur aangevallen op 21 October 1944. Geen grote
schade. Nu wij het toch over bommen hebben moge worden vermeld,
dat op 28 Maart 1945 een V1 ontplofte tegenover de fabriek in de
Sysselt. We kregen daardoor wederom belangrijke glasschade. Toen
het einde in zicht was, vervoerden de Duitsers grote
hoeveelheden gestolen granen met spoorwagens naar Rotterdam.
Toen op 1 April 1945 een drietal hiermee geladen wagons op het
rangeerterrein bij de fabriek stonden, beschoten de Engelsen
deze vanuit de Betuwe met vrij zwaar geschut. Geen enkel schot
was raak. Een paar granaten kwamen op het fabrieksterrein
terecht en beschadigden de spoorrails, terwijl bij de schrijver
dezes een paar in de tuin, boom-, muur-, en glasschade in het
huis veroorzaakten. Als finale van de bombardementen kregen we
op de dag der bevrijding 17 April 1945 enige salvo's van de
Engelse tanks in het fabrieksfront te doorstaan, die blijkbaar
gemunt waren op een aantal Duitsers, die een schuilplaats voor
de fabriek hadden betrokken. Het gebouw kreeg daardoor nog
aanmerkelijke steen- en glasschade. Hiermee was een eindelijk
een einde gekomen aan het explosieve gedoe gekomen, maar we
hadden er dan ook zo langzamerhand meer dan genoeg van gekregen.
Over de wederwaardigheden op de dag van het grote bombardement
op 17 september 1944 valt nog wel het een en ander te vermelden:
Toen de brand van het magazijn in
volle gloed was, verscheen een vrij grote groep Duitse
militairen, zogenaamd om hulp te verlenen. Zij zetten posten
uit, waardoor wij in onze bewegingsvrijheid gehinderd werden.
Geholpen hebben zij niet het minst, doch zij hebben ons
integendeel aan grote gevaren blootgesteld. Zoals reeds is
gezegd, kwamen in de namiddag weer grote groepen bommenwerpers,
die nu de overzijde van de spoorbaan bestookten. De nabijgelegen
Barbarastichting (hoofdbureau van de S.S.), de R.K kerk met
scholen, kazernes en vele andere gebouwen in Ede werden heftig
aangevallen. Enkele onzer "moffen" nu hadden de moed om met hun
geweren, wanneer zij over de fabriek kwamen, te schieten.
Gelukkig verbood een officier op ons aandringen om hiermee door
te gaan. Op zichzelf was het voor onze mensen een vrij
onaangename situatie, dat, terwijl wij de handen vol hadden met
bluswerk, wij telkens weer de schuilplaatsen moesten opzoeken,
zodra weer bommenwerpers overkwamen en in de nabijheid van de
fabriek bommen gooiden. Het blussen werd daardoor telkens
onderbroken. Ede heeft op die dag, veel verliezen geleden. Op 20
September werden in een gemeenschappelijk graf 70 inwoners ter
aarde besteld. Van ons personeel viel hierbij, behalve de reeds
genoemde spinner M. van Manen, onze beambte W. Zittersteijn, aan
wie wij een trouwe medewerker verloren. Ik moge hier nog
vermelden, dat later ten gevolge van het neerkomen van een V1,
de "sociale" voorman Arendsen met zijn familie werd gedood.
Behalve de vele bommen vonden wij op onze terreinen en zelfs ook
midden in het zoutmagazijn en tussen twijnmachines sporen van
blindgangers. Deze werden later onder toezicht van leden van een
"sprengkommando" uitgegraven, waarbij bleek dat deze in de regel
oa: 4 a 4,5 meter in de grond waren gedrongen.Een grote van 250
kg heeft het klaargespeeld om onder de grond dwars door een
benzinetank (gelukkig leeg) te slaan. Zelfs de vakmoffen hadden
zoiets niet eerder gezien. Van de 12 blindgangers werden enkele
door de Duitsers meegenomen, maar de andere werden op ons
terrein Oost tot ontploffing gebracht. Het was een fantastisch
gezicht toen na de explosie de balen afvalzijde, die ter
bescherming om de bommen waren geplaatst, geheel uit elkaar
bleken geslagen en de vlokken over het bos waren uitgespreid.
Het geheel leek een aaneenschakeling van kerstbomen.
|