![]() |
Welkom bij de historie van Enka-Ede
Van garenstrengen naar cones
In de dertiger jaren vond de overgang
plaats van het strengen haspelen naar het spoelen van garen op conisch
gevormde hulzen. De cones was het nieuwe verkoopartikel (eindprodukt) in
die jaren. In die tijd werd het garen nog niet op scheerbomen verkocht.
Deze overgang bracht voor het bedrijf een
grote verandering met zich mee. Het fijne handwerk van strengen
splitsen, sorteren en inpakken verdween voor machinewerk. Het eerste
cone-machinepersoneel waren meisjes. Toen later de conerij in
ploegendienst ging werken, werden de meisjes geleidelijk door jongens
vervangen. Hoe ging het conen in de vijftiger jaren? De coners werkten
in een spierwitte overall. Aan de riem een knoopmachine met
sponshoudertje, een boekje etiketten, schuin weggestoken achter de riem
een slinger voor de spindels en een poetslapje. In de zak van de overall
een paar handschoenen. De matcones werden namelijk gehanteerd met de
handschoenen aan. In die tijd had een coner nog geen eigen knoopmachine.
Men nam de knoopmachine over van de afgaande ploeg. Dat gaf dikwijls
ruzie, want een goede knoopmachine was zeldzaam. Knopen maken
deed men heel veel. Men maakte toen cones van 1700 gram en 12 knopen in
zo'n cone van A-kwaliteit was normaal. Klik hier voor het boekje (pdf file) "Voorschriften voor het gebruik van spoelenstrengen". (kunt u het pdf file niet openen kijk dan op de pagina downloads)
De draad van de kleine garenwikkeltjes
van 400 gram stond altijd op het punt van breken. Geregeld moest de
coner de manchetten van de wikkels aandrukken en duimen betekende de
knopen en vouwen gladmaken en fatsoeneren, want dat voorkwam draadbreuk.
Dat was monnikenwerk, want het garenpakket mocht beslist niet
beschadigen. Eénmaal in de veertien dagen moest men bij de manicuurster
komen (Neeltje) en werden de nagels en nagelriemen behandeld. Aan het
einde van de rijen conemachines hing een doeken zak met talkpoeder voor
het nog gladder maken van de handen. Je klopte met beide handen tegen de
zak en dan wrijven. Soms vloog zo'n zak met talkpoeder door de lucht en
kwam terecht in de nek van een collega met de witte gevolgen van dien.
Het was hard werken. De spindels waren toen uitgerust met zwevende
pluizenvangers. Wanneer de draad maar even onrustig liep, stopte de
spindel. Wanneer er te veel spindels stilstonden kreeg je een uitbrander
van de voorman. Wanneer een cone vol was, moest de coner voor het begin
van een nieuwe reis met het poetslapje de spindel schoonmaken/poetsen.
Het garen was dun. Veelal 40 denier, maar ook 50 en 60 denier. De 40/12
(nu 44f12 decitex) was voor de dameskousenbreierij.
TL-verlichting was er nog niet. De
koplampen midden boven de rijen waren de enige lichtbronnen. Op sommige
plaatsen werkte je op gevoel.
Schafttijd was precies 20 minuten uit de
afdeling weg en geen seconde langer. Eén meester met een dik buikje ging
tegen schafttijd in de nauwe deuropening staan. We noemden hem "blauwe
prins". Oudgedienden weten het nog wel. Op het moment dat hij een stapje
opzij ging, was dat het sein en in een zucht was iedereen naar de kantine.
Daar werd koffie verkocht voor 2½ cent in de toen bestaande ¼ liter
melkflesjes.
Waar is die tijd gebleven....
|