![]() |
Welkom bij de historie van Enka-Ede
De bezetting 1940-1945. Vanaf
de eerste oorlogsdag, 10 mei 1940, tot de laatste, voor Ede mei 1945,
was het een aaneenschakeling van allerlei trieste gebeurtenissen. We
willen beginnen met de produktieproblemen. Met ongelooflijke
improvisatie is het ons bedrijf gelukt tot de 17e september 1944 te
blijven spinnen. Toen moesten we, na de landing van de parachutisten,
het bedrijf van de bezetter stoppen.
De "cruciale" spindoppen werden begraven zodat ze niet door de bezetter konden worden meegenomen.
De cellulose die in de oorlogsjaren
veelal werd gebruikt, was vervaardigd uit beukenhout. Toch kwamen er zo
nu en dan partijen cellulose binnen uit Zweden, Noorwegen en ook
Finland. Dat was wel cellulose uit naaldhout. Totaal moest men 57 keer
wisselen van de grondstof cellulose. Meestal werden 2 of 3 geheel
verschillende cellulosesoorten gemengd. Veelal kwam het voor dat een
nieuw soort cellulose direct na aankomst in gebruik werd genomen voordat
een proefviscose kon worden aangemaakt.
In het chemisch bedrijf werden na zeer
veel proefnemingen een groot model mengtrommel en roerketel in gebruik
genomen met als gevolg een geheel nieuwe mengkamer en roerkelder in de
z.g. mengtoren met een transportbaan voor de witte kruimels met
dwarsbanen naar de stortvloer.
In de spinnerij kwamen de nieuwe 15
Tenax-spinmachines gereed. Deze machines bleken een succes. In de
persbleek werden drie alumiumketels in bedrijf genomen voor terugwinning
van zwavelkoolstof en zo zijn er ondanks tegenslagen, verbeteringen
uitgevoerd.
Monteren Tenax spinmachine
Eindresultaat Tenax spinmachine. In 1940 met het uitbreken van de oorlog was de productiehoeveelheid 3.545.000 kg. In 1944 t/m 17 september 1.360.000 kg productie. Door stug door te gaan met het produceren heeft de toenmalige bedrijfsleiding voorkomen, dat er nog meer personeel weggevoerd kon worden naar Duitsland en er voor gezorgd dat het productieapparaat tot de beruchte 17e september aan de gang gehouden kon worden.
De twijnerij na het bombardement van 17 sept. 1944. Het personeel moest werken onder zeer moeilijke omstandigheden. Het bedrijf was verduisterd; dat betekende dat geen lichtstraal voor vliegtuigen zichtbaar mocht zijn. Alle dakramen waren zwart gemaakt.
Er was regelmatig luchtalarm. Op het dak
van het poortgebouw was een glazen huisje, waar permanent een
uitkijkpost was geplaatst om naderende vliegtuigformaties te kunnen
waarnemen. Zij stonden in verbinding met de gemeentelijke
luchtbescherming. Meestal werd eerst vooralarm gegeven. Werd het
luchtgevaar groter dan werd groot alarm gegeven. Dan zette de machinist
in de centrale de verlichting op 40 volt. De fabrieksruimten werden
daardoor verduisterd. De ramen waren al zwart gemaakt.
Mededeling (b899) luchtalarm
Met sirenes en lampsignalen werd het
personeel gewaarschuwd en op een holletje ging men naar de
schuilkelders. Het werk bleef liggen en de productiemachines bleven
draaien. Wat dat betekende voor o.a. de spinnerij zullen de spinners wel
begrijpen. Machines, die net gelost moesten worden, werden zondermeer
stilgezet met de spindoppen in het zuur. Veel rommel en productieverlies
natuurlijk.
Helaas waren er veel mensen, die zich
veiliger waanden door in de open lucht te schuilen. Daardoor is één
persoon door bomscherven omgekomen.
Door de bezetters werden in totaal 291
mannen aangewezen om te werken in Duitsland. Maar niet iedereen ging.
Velen doken onder. Maar ook veel niet aangewezen mensen wachtten niet af
en doken onder. Dat had tot gevolg dat er vooral van het personeel in de
textielafdelingen de helft verdween. Daardoor was men niet in staat om
de productie in de textielafdelingen goed te verwerken. Dat was een
zekere bedreiging voor de bedrijfsleiding, want dat werd uitgelegd als
sabotage. Ook de gezondheidstoestand van het personeel was zorgwekkend. Door onvoldoende voeding en medicamenten steeg het ziektecijfer van 1,4% in 1939 tot 19,2% in 1944. De bedrijfsleiding deed veel om het leed te verzachten en de mensen door de slechte tijd heen te loodsen. Vanaf de eerste maand in 1942 werden vitamine tabletten uitgereikt. Aan hen die het nodig hadden, werden versterkende middelen gegeven en zieken kregen soms verse groenten. In 1943 en 1944 werd eerst aan het vrouwelijk personeel enige malen textielondergoed en kousen verstrekt.
Voedselbon
Later in 1944 werden aan alle
medewerkers en huisgenoten op zeer uitgebreide schaal, buiten de
distributie om, onderkleding, dekens, kousen etc. verstrekt. Deze
uitreikingen droegen enigszins bij tot leniging van het gebrek aan
kledingstukken, doch kon bij benadering niet voldoen aan de enorme
tekorten aan de eerste behoeften. Het repareren van schoeisel gebeurde
in overleg met een gevestigde schoenmaker, die onder gunstige
voorwaarden met oude drijfriemen de schoenen van het personeel
repareerde. Zelfs de klompen werden gerepareerd. "Dat het eens zover
moest komen" was een kreet, die men toen veel hoorde.
Coupon voor boter.
Het gebrek aan brandstof in de huishoudens
was groot.
De laatste oorlogswinter.
Deze werd ingeluid met de stopzetting van
het bedrijf in september 1944. Het bedrijf was toen al erg beschadigd
door de luchtbombardementen en de brand die daarop volgde. Ook in de
laatste maanden werd het bedrijf meerdere malen gebombardeerd en met
mitrailleurvuur bestookt. De V1 (vliegende bom genoemd) die in de
Sijsselt neerviel tegenover de fabriek, veroorzaakte nog meer schade aan
muren en dakglas.
Op 17 april 1945 was de finale. Enige
salvo's van Engelse tanks in de voorzijde completeerden het geheel. Het
doel was een aantal Duitse militairen, die zich verschanst hadden in een
schuilplaats voor de fabriek. Niet alle bommen ontploften. In het
zoutmagazijn en tussen de twijnmachines vond met sporen van
blindgangers. Deze werden onder toezicht van de leden van een
springcommando uitgegraven. Meestal zaten zij 4 à 5 meter diep in de
grond. Op het oostelijke terrein werden zo'n 12 bommen tot ontploffing
gebracht.
Direct na de verplichte stopzetting zaten
tanks en leidingen in het bedrijf vol met viscose. Met ongelooflijk veel
inspanning heeft men de grote viscoseplas kunnen opruimen. De centrale
werkte niet meer, waardoor geen energie voor verlichting en perslucht
beschikbaar was. Volgens de aantekeningen uit die tijd stond alles onder
viscose: kelders, buizen, etc. In het halfduister moest worden geruimd.
Wel werd bereikt dat alle leidingen, tanks en filters schoon kwamen.
In oktober 1944 moesten alle mannen
tussen de 17 en 60 jaar worden ingezet voor graafwerkzaamheden in de
stellingen aan de Rijn. De geallieerden lagen toen aan de overkant. Men
moest zelf zorgen voor zaag, spade en bijl. Er is toen heel wat
gesaboteerd. Alles werd aangegrepen om de zaak te vertragen en/of half
te doen, met gevaar voor eigen leven en dat van anderen.
De kolenvoorraad in de open lucht werd
weggehaald en gebracht naar de gasfabriek in Ede. Maar de 150 ton
antraciet, die in aanzuurpotten was verstopt, werd heimelijk onder het
personeel verdeeld en een deel voor de potkachels in de kantoren van het
bedrijf. Zoveel mogelijk werd het bedrijf bemand door een aantal
toezichthouders, o.a. de bedrijfsdirecteur de heer Nolet. Ook de in de
keuken aanwezige levensmiddelen werden zo goed mogelijk onder het
personeel verdeeld. De terpentine van de sterkerij werd voor
verlichtingsolie gebruikt in de gezinnen van de medewerkers en de resten
bleekloog hielp moeder de vrouw de kledingwas schoonmaken. Zout was een
distributie-artikel en erg moeilijk te krijgen. Vele Edenaren hebben
profijt gehad van de zoutvoorraad in de fabriek.
Op 4 oktober 1944 kwam een Duits
gezelschap van 4 burgers en een militair de gouden spindoppen vorderen.
De heer Nolet vertelde hun dat ze op last van de overheid de doppen naar
Arnhem gestuurd hadden...
In werkelijkheid waren de doppen verstopt in
een bomtrechter naast de centrale en afgedekt met grond. Dat was het begin
van de grote plundering. Op 9 oktober kwamen weer 2 militairen, die op eigen
houtje op het terrein aan het snuffelen waren en daarbij een auto vol met
garen vond en twee autobussen verstopt in het bos. Sabotage!!
Ook vonden zij een paar vaten met terpentine,
die zij voor benzine hielden.
Het was vrij moeilijk om deze lieden weer
kwijt te raken. Op 10 oktober kwam bezoek uit Bemberg. Gedelegeerden van de
heer Speer, Reichsminister für Rüstung und Kriegsproduktion. Zij kwamen
alles noteren om naar Bemberg te doen vervoeren. Schrijfmachines,
instrumenten van de laboratoriums etc. De heer Nolet begon het te lezen en
heeft ze afgepoeierd. Alles was reeds lang naar Arnhem verzonden, maar
helaas nooit aangekomen... Inmiddels ging men allerlei materialen
verstoppen. Het is gelukt om veel goed materiaal van veel waarde op die
wijze te redden. Bij wederopbouw van na de bevrijding was dit van zeer groot
belang. Maar men kan niet alles verstoppen. Veel textielmachines verdwenen
richting Duitsland. Treinwagens vol. Op 13 december 1944 de eerste wagen en
daarna bijna dagelijks tot 3 april 1945. Zo zijn er in 4 maanden tijd 100
treinwagens weggehaald. Door de massale bombardementen van de geallieerden
op Duitsland met de ongelooflijke vernietiging van de fabrieken, etc. konden
zij alles gebruiken om de oorlogsvoering draaiende te houden. Het waren
treurige jaren voor geheel Europa, voor vriend en vijand. Dat het ooit zover
kon komen. Bevrijdingsfeest 1945.
|