De wolkammerij in Ede.
Er zullen maar weinig medewerkers zijn, die zich nog kunnen herinneren dat
het bedrijf Ede ook een redelijk grote wolkammerij binnen haar poorten had.
Deze was gevestigd in de gebouwen aan de westzijde van ons bedrijf. Nu is
daar de lege scheerbomenopslag, magazijnopslag en de chemicaliënaanmaak van
de sponzenfabriek.
De kammerij was een afdeling, die helemaal losstond van de garen- en
sponzenproduktie.
Wat was dat voor een afdeling?
Melkwol:
Eerder hebben wij geschreven in de Nieuwsboom dat op de plaats, waar nu
sponzen gemaakt worden, een bedrijf stond waar melkwol uit ondermelk werd
gesponnen. Dit gebeurde in de tweede wereldoorlog en er zijn heel wat
kilogrammen melkwol uit de caseïne van melk gemaakt. Dit waren
filamentgarens. Om een goed vezelprodukt aan de wolspinnerijen te verkopen
moest dit garen in korte lengtes van 10 cm. worden gehakt. Na deze bewerking
moesten de stukjes draad vervezeld worden en dit gebeurde in de kammerij.
Textielmensen (Betex) zullen dit geleerd hebben. Eerst was deze kammerij
alleen bestemd voor de melkwol, later ook voor rayonvezel. Na de oorlog is
de melkwolfabricage niet meer opgestart. De kammerij is gebleven, omdat er
in Nederland direct na de tweede wereldoorlog een groot tekort was aan
wolkammerijen. Onze kammerij ging toen over op schapenwol, later werd dat
ook rayonvezelgaren van de Kleefse Waard. Daar werd toen rayonvezel gemaakt.
Bepaalde vermengingen van wol met rayonvezel gaf een goed produkt, dat
gretig werd afgenomen in de vijftiger jaren.
In de zestiger jaren werd de kammerij in Ede stilgelegd. De textielindustrie
ging het zelf doen. De machines zijn toen overgebracht naar de Kleefse
Waard, waar ook de vezelgarenspinnerij stond. Daar hebben ze bijna niet meer
gedraaid. Na het stopzetten van de vezelgarenfabricage op de Kleefse Waard
was het afgelopen met dit bedrijfsonderdeel.
De produktie van vezels ging toen naar Kassel in Duitsland, maar dat bedrijf
is inmiddels al lang dicht.
Hoe vond dat kammen plaats?
De opzet was om uit de ruwe wol een band te maken, een zogenaamde kamband,
waarin de vezeltjes keurig netjes naast elkaar en achter elkaar gericht
liggen. Om dat te bereiken wordt de vezelmassa op de kaardmachine door vele
tientallen met naalden bezette walsen heel voorzichtig tot een vlies van
losse vezels uit elkaar getrokken. Eerst worden de vezels op grove kammen
wat beter rechtgelegd om daarna op de echter kammachine verkamd te worden.
Dat is een ingewikkeld stukje textielvak, wat bijna niet te omschrijven is.
De verkregen kambanden worden verkocht aan de wolspinnerijen, die daarvan op
hun beurt kamgarens gingen spinnen.
Dit is een textielbewerking, die nog steeds bestaat. Alle garens, verkregen
uit vezeldeeltjes, worden versponnen tot één draad. Dit in tegenstelling tot
ons filamentgaren, dat al direct na het spinnen een complete draad is.

Meester Jansen
Bedrijf Ede had toen ook goede textielvaklieden op het gebied van de
kammerijwerkzaamheden in dienst. De ouderen onder ons zullen meester Jansen
nog wel kunnen herinneren. Een grote flinke man, die vooral bekendheid
genoot onder het personeel als duivenmelker. Mede onder zijn leiding heeft
bedrijf Ede jarenlang een typisch produkt geleverd aan de textielindustrie.
We zouden het bijna vergeten........