|
EVA stond in dienst van vele
Eva's
In 1925 schreef dr. R. Feenstra
een reportage In "de Telegraaf" nadat hij een bezoek had
gebracht aan het toenmalige ENKA-bedrijf In Ede. Daar werkten
toen 3200 mensen. Velen van hen waren meisjes: twijn- sters,
haspelaarsters, bleeksters, sorteersters en keursters. (Een jaar
later bereikte het bedrijf Ede zijn top-bezetting met 4638
mensen.) De verslaggever schreef onder meer:
* Als ik heenga trekken ook
net de vrouwenlegers af.
* Ik zie de treinen gaan; de
blauwe bussen. Daar gaan ze naar Apeldoorn en Amersfoort,
naar Nijmegen en overal;
nagekeken door het leger van H.M. de Koningin uit twee
stugge kazernes.
* Kijk al die rokkenvolken,
die komen uit de werkzalen, waar zoo. veel valsche, maar daarom
niet minder reële glans
geboren werd.
* Nu ik door deze fabriek ben
gegaan met haar werkzalen met honderden zijdetwijnende, has-
pelende, keuren. de meisjes,
die met dozijnen blauwe fabrieks autobussen, met twee treinen
vol alleen uit
Nijmegen, uit drie provincies worden opgehaald...

Enkele van de eerste busjes;
nummer M17936 (links)kwam op 12 januari 1924 als eerste in
dienst. Voor de hoektoren staat de tweede Ford die drie maanden
later van start ging. Nummer M17938 was de derde en M17941 de
zesde bus voor het vervoer van personeel van en naar Ede.
Staande
tussen de bussen de heren
Caspers (links) en Spanjaard.
GROOTSTE BUSBEDRIJF.
Ten behoeve van al die meisjes
werd EVA geboren. Het was de N.V. tot Exploitatie Van
Autobussen, een dochter van de AKU die toen nog ENKA heette. De
leiding kreeg een oud-zeekapitein, de heer Buis, die als op de
commandobrug de spreekbuis gebruikte als hij een van zijn mannen
bij zich wilde hebben.
De eerste bus, een T-Ford met het
kenteken M 17936, begon zijn werk op 12 januari 1924; op 23
april werd de M 17937 als tweede In dienst genomen en op 5 juli
kwam de zesde al op de weg. EVA groeide en groei- de. Zij had
spoedig meer dan veertig bussen rijden, speciaal voor het
vervoer van vrouwelijk personeel. Ze was het grootste busbedrijf
van Nederland geworden. Bovendien werden dagelijks extra treinen
in gezet op Nijmegen, Arnhem en Utrecht. In oktober 1928
treinden bijvoorbeeld dagelijks 1985 meisjes heen en weer. Met
39 bussen kwamen er nog eens 810 uit alle windstreken. Van
voorbij Amersfoort en Apeldoorn, uit alle hoeken van de Betuwe,
uit Utrecht en uit de Achterhoek. (Dochters van vissers uit
Spakenburg verschenen in hun typische klederdracht op het werk).
En voor meisjes uit Limburg moest men een tijdlang een compleet
internaat inrichten. "Al die rokkenvolken" behoren echter tot
het verleden, tenminste wat het werken voor de ENKA of de AKU
betreft. Het aantal meisjes liep aan het eind van de twintiger
jaren terug. In de jaren dertig werden hun plaatsen steeds meer
ingenomen door jongens en mannen. Het jaar 1938: acht bussen
vervoeren nog maar 159 meisjes en 104 jongens. Eva maakte steeds
meer plaats voor Adam, maar EVA bleef. En EVA bestaat heden ten
dage, in 1966, nog, al is ze niet meer zo groot als veertig jaar
geleden. Zij exploiteert nu nog "slechts" twaalf bussen.
PRINSEN EN PRINSESSEN.
Boeiender was haar bestaan in de
jaren twintig, toen vele honderden Eva's er dagelijks mee van en
naar huis gingen. En dat in een tijd, dat reizen nog als een
avontuur beschouwd kon worden. Bussen als de Greyhounds met
luchtconditionering, met verwarming, met asbakken, met sjieke
"achteroverstoelen" en noem maar op, kende men nog niet. Men zat
op houten bankjes, de raampjes gingen niet open of niet dicht.
Er waren bussen met massieve
banden en… enfin: het was allemaal lang niet zo comfortabel als
heden ten dage of zoals de gepensioneerde oud-directeur G. van
Dijk van EVA het ons zegt: "Vergeleken met toen worden de mensen
nu vervoerd als prinsen en prinsessen." Hij was als chef van de
Centrale Expeditieafdeling (TM) directeur van de N. V. en weet
er als zodanig wel een en ander van te vertellen. Het vervoer
van de meisjes bracht vooral in de winter nogal wat problemen
mee. Heel erg was het In de poolwinter van 1928/29 die de meeste
ouderen zich nog wel herinneren. De heer Van Dijk vertelt:
"Er reden toen nog zo'n dertig
bussen. Het is duidelijk, dat ze niet direct lekker warm waren,
Verwarming in bussen was er toen nog niet bij. Die meisjes zaten
dan 's morgens om vijf uur al te kleumen bij een vorst van
vijftien graden of meer. De bussen waren vaak niet goed dicht,
zodat het aardig tochtte. Daarom hebben we toen een partij
dekens gekocht. De meisjes zaten er met tweeën onder om zich wat
op temperatuur te houden. Later hebben we de bussen verwarmd met
pijpen, waar de afgewerkte gassen van de motoren doorheen
gevoerd werden". "Nee, 's winters was het in die eerste jaren
helemaal geen lolletje. Dan lag er drijfijs op de Rijn, zodat we
niet konden worden overgezet. De veerpont lag werkeloos aan de
kant. Dat betekende voor de Betuwebussen: omrijden vla de
schipbrug in Arnhem. En als die ook niet in gebruik was door de
ijsgang, nou, dan stapten de meisjes bijvoorbeeld in Elst op de
trein."
 
Schaften in de openlucht of in
de kantine.
LACHEN EN HUILEN.
We hebben ook gesproken met een
man uit de praktijk, de eveneens gepensioneerde heer A. van
Garneren, die in zijn vier eerste AKU-jaren chauffeur was op de
bussen vol jonge Eva's. Hij was aanvankelijk niet zo erg voor
dat werk te vinden, zo vertelt hij: "Nou moet ik op de bussen,
maar daar zit ik geen drie maanden op, zei ik tegen mijn
meisje," Toch zijn het nog vier jaar geworden. waarna hij
voorman werd van de garage in Ede. In die functie zat hij
voortdurend met zijn neus boven op de bussen. Als autovakman had
de heer Van Gameren natuurlijk vooral belangstelling voor de
techniek van de wagen en voor het vak chauffeur. "Er waren zo'n
veertig bussen van allerlei merken, een stuk of tien
verschillende. Renaults, Fords, Mercedessen, Berlieres, Spijkers
en noem maar op. Er waren er bij met massieve banden, zodat
nogal eens asbreuk voorkwam. Het was trouwens wat, met veertig
van die meisjes in de bus. Je kon er mee lachen, maar soms was
het ook om te huilen,"
PRIJS VOOR MOOISTE.
De heer Van Gameren woonde in die
jaren in Arnhem en nam de meisjes uit Rheden mee in z'n bus, als
hij naar zijn werk ging. 's Avonds bracht hij "het rokkenvolk"
weer naar huis; de bus bleef in de thuishaven overnachten, zoals
gebruikelijk was. Hij herinnert zich bijvoorbeeld een aardige
traditie. Er waren wel eens
leuke evenementen. Koninginnedag
werd in die tijd door bijna iedereen uitbundig gevierd. De
meisjes deden daar ook aan mee door 's avonds in het dorp de
bussen te versieren. Er was dan een prijs voor de mooiste bus,"
Over het vervoer zelf zegt hij: "Voor de ploegendienst reden de
bussen achthonderd meisjes per dag. De chauffeur zorgde er voor,
dat ze ‘s morgens om zes uur of 's middags om twee uur op het
werk waren. Daardoor moest hij soms wel om half vier op. In het
begin kregen we daar geen cent vergoeding voor. maar later
werden we ervoor betaald". Die strenge winter van '28/29 kan hij
zich nog wel voor de geest halen. Ook hij vertelt over de dekens
voor de meisjes. Maar als man van de praktijk praat hij bij
voorkeur over de technische problemen. "De bussen uit de Betuwe
en uit Nijmegen konden niet de Rijn over. We reden dus naar het
dichtstbijzijnde station en zetten de meisjes daar op de trein.
De bussen bleven bij het station wachten en er bleef een-man bij
de wagens om ze warm te houden. Antivries bestond in die tijd
namelijk nog niet. Dus moesten we de motor draaiende houden om
de zaak niet te laten bevriezen. Als de meisjes en de chauffeurs
na hun werk dan weer met de trein bij het station kwamen, konden
ze weer naar huis gereden worden.”

OVERBODIG.
Het aantal meisjes en dus ook het
aantal bussen liep sinds 1929 vrij snel terug, Veel bussen
werden over-bodig; een tiental bleef rijden. Een stuk of zeven
bussen werden omgebouwd tot vrachtwagen; daarbij wa- ren alle
Mercedessen. De magere jaren van de malaise maakten de
concurrentie hevig; elke cent die ver- diend kon worden, moest
verdiend zien te worden. Zo ook gebeurde het in Ede. De heer Van
Dijk vertelt hierover: "Zelf doen was noodzakelijk geworden in
verband met de prijs. Ze waren laag, de prijzen, maar het kon
voor nog minder. De vervoerders reden met een twaalf-tons-wagen
Rotterdam vice versa voor achttien gulden. Wij konden het nog
goedkoper. Het was een centenkwestie, maar dat was in die jaren
zeer belangrijk." Van de vele bussen bleef echter een zevental
rijden voor personenvervoer. Zo is het ook nu nog ongeveer; EVA
rijdt met twaalf bussen, onder andere op Harderwijk, Apeldoorn,
Tiel en Valburg. De passagiers zijn nu AKU-Adams, veertig jaar
geleden waren het ENKA-Eva 's, veel meer.
Uit de bijna menselijke
geschiedenis van een Mercedes.
Een van de vele merken autobussen
die veertig jaar geleden dagelijks een lange rit maakten naar
Ede en terug, was de Mercedes. Eén bus in dit merk heeft een
leven vol afwisselingen achter de rug. Hij heeft de lach en het
plezier van de jaren twintig meegemaakt, hij onderging een
gedaanteverwisseling in de moeilijke crisisjaren en avonturierde
in in de tweede wereldoorlog door actief te zijn in het verzet,
Zijn geschiedenis heeft door dit alles bijna iets menselijks. De
bus begon zijn taak bij de AKU door het aandragen van arbeid".
Dit was de arbeid van jonge vrouwen die uit zeer wijde omtrek
bij honderden naar Ede stroomden: uit alle hoeken en gaten van
Gelderland en zelfs uit Utrecht en Limburg. Deze lachende en
gillende, giebelende en kibbelende meisjes vormden jarenlang de
vracht" van de Mercedes. Zij vulden hem op zijn reis naar het
werk of naar huis met het bekende en aloude jongemeisjeslawaai.
Stilte zal de bus tijdens die ritten nooit gekend hebben. Aan
het eind van de jaren twintig waren ook de "roaring twenties",
de dolle jaren, voorbij. De tijden waren inmiddels aan het
veranderen, De tamelijke welvaart had plaats gemaakt voor de
narigheden van de crisistijd. Het personeel in de bedrijven liep
terug, ook in Ede. Het aantal meisjes werd kleiner; er kwamen
{minder} jongens voor in de plaats; de zaak bleef echter
draaien. Grondstoffen waren dus nog steeds nodig, maar de
aanvoer ervan was ondanks de lage prijzen nog te duur. Onze
Mercedes-bus werd in de garage van het bedrijf Ede omgebouwd
voor het halen van grondstoffen en het brengen van garens van en
naar de haven van Wageningen. Maar hij reed ook op Rotterdam om
goederen naar de haven te brengen en er vandaan te halen. En zo
gingen voor onze Mercedes de jaren dertig voorbij. Hij moest
hard werken om zichzelf in stand te houden.


Van het werk naar de bus (1924)
In de oorlog was bij de AKU het
parool: "Aan het werk blijven, doorproduceren, volkskracht in
stand houden en in een gestadig gonzende fluistercampagne:
"Elkaar helpen biet alleen boven- maar ook ondergronds", een
richtsnoer waaraan men zich niet alleen “om den brode", maar ook
uit innerlijke overtuiging hield. Daarop was het beleid gericht.
Dit schrijft Max Dendermonde in
zijn boek "Nieuwe tijden, Nieuwe schakels; de eerste vijftig
jaren van de AKU", dat verscheen bij het gouden jubileum van de
AKU in 1961.
Het parool gold ook voor de
ex-bus. In de oorlogsjaren heeft onze Mercedes bij gebrek aan
benzine nog gelopen op een kachel. Hij had een kolenkachel aan
boord die gestookt werd met een mengsel van antraciet en
houtskool, waaruit gassen vrijkwamen die de motor in beweging
konden houden.
Enkele keren heeft de Mercedes
het gepresteerd werk te doen voor de ondergrondse. De heer Van
Gameren: "Ik heb toen een rit of twee gemaakt met die wagen.
Onder het dekzeil lagen geen garens, maar zo'n 25 tommies met de
stengun om de nek. Zo reed ik ze bij Renkum dwars door de Duitse
linies."
Het verzet is volgens zijn
verhaal eigenlijk ook de dood geweest van de trouwe Mercedes.
"Met de stengun in de rug werd ik door de vijand gedwongen de
wagen met munitie weg te brengen. Ik was de enige die deze wagen
met z'n kolenkachel kon rijden. Onderweg, in de buurt van
Utrecht, heb ik een eind aan de rit kunnen maken door de wagen
van de weg af te rijden",
En daar, in het Utrechtse, kwamen
onbekenden de Mercedes onbruikbaar maken door vitale onderdelen
te slopen. De bus/vrachtwagen kwam zo aan een roemloos einde,na
een boeiend leven van twintig jaren.

|