|
40 jaar
“Spinhuis” (bron de
spindop 1962)
Onlangs is
in De Spindop het bericht verschenen, waarin melding werd
gemaakt van het veertigjarig bedrijfsjubileum van de fabriek te
Ede. Dit jubileum is vrijwel ongemerkt voorbijgegaan. Het werd
ook niet officieel gevierd omdat het nu eenmaal niet
gebruikelijk is een veertigjarig jubileum van een bedrijf
openlijk te vieren. Om daartoe over te gaan zal er nog tien jaar
bij moeten worden geteld.
Toch is
het wel de moeite waard de veertigjarige geschiedenis van TE
eens terug te bladeren en uit de archieven materiaal op te
vissen dat de geschiedenis van de fabriek markeert.
Maar een
fabriek is een dood ding als er geen mensen bij betrokken worden
en zo zal de veertigjarige geschiedenis van TE boeiend worden
zolang en zoveel als men er mensen bij betrekt.

Een prachtig
beeld van “binnenuit” 13 febr. 1950
In de
vestiging van de Edese fabriek zijn uiteraard heel wat
besprekingen voorafgegaan. Een kunstzijdefabriek stelt, wil zij
goed functioneren, bepaalde eisen. Een van deze eisen is de
vraag naar water en naar de kwaliteit ervan; een andere eis is
de ligging aan een verkeersweg die het transport naar en van de
fabriek vlot kan verwerken en een derde eis moest wel zijn
personeel te vinden voor de bezetting van de fabriek. Er zullen
meer eisen zijn geweest, maar deze drie zijn wel belangrijk. Ede
kon er in voldoende mate aan beantwoorden. Er was ook ruimte
genoeg, want aan de overzijde van de spoorlijn Ede-Arnhem lag
een uitgestrekte woeste grond die de karakteristieke naam van "Schraaljammer"
droeg. En op deze "Schraaljam- mer" is TE uit de grond verrezen.
De fabriek werd gebouwd in een vierkant waarvan elke hoek een
toren kreeg. In het hart van dit carré werd de krachtcentrale
gebouwd. De fabriek zelf vormde de wanden tussen de torens. Er
liep één weg door al deze fabriekslokaliteiten. De opzet van de
fabriek doet wat denken aan een fort uit de oude Oosterse
landen. Deze "militaire" gedachte behoeft niemand te verwonderen
daar de bouwmeester van TE, Jhr. J. M. van den Bosch,
genieofficier was geweest. Het voordeel van deze bouw was dat
aan alle kanten kon worden uitgebreid en in de loop van deze
afgelegde veertig jaar is dat dan ook gebeurd. Men zal alleen
niet meer de rondweg door de fabriek ononderbroken langs kunnen
gaan. Die verbindings-gang is er niet meer. Toen de fabriek in
1922 de poort opende was de ingang een andere dan die wij thans
doorgaan. Het pad erheen begon aan de Bennekomseweg en liep
tussen de korenvelden naar de fabriekspoort. Dit pad droeg de
naam: Enkalaan. Er zullen niet zoveel mensen meer zijn die zich
deze situatie herinneren. En nog minder zullen er zijn die de
ploeg "De Kruyff" kennen, die tijdens de bouw op staande voet de
mankracht kon leveren, die de bouw in de verschillende stadia
van zijn ontwikkeling nodig had. In 1925 ondergaat de fabriek
een uitbreiding als gevolg van de normale groei van de produktie
en de verblijdende belangstelling voor het produkt bij de klant.
Deze uitbreiding eiste vanzelfsprekend een verhoging van het
personeelsgetal. Het spel met de ragfijne draadjes verlangde
spelers met ragfijne handjes. Het is duidelijk dat deze spelers,
speelsters waren en dat de fabriek bevolkt werd door zo'n
drieduizend meisjes. De heer C. Teunissen, die op het ogenblik
het archief van Ede beheert, weet uit die tijd nog veel
bijzonderheden te vertellen. Er is een maximum geweest van 3200
meisjes, van wie er 2800 vervoerd moesten worden. Vierhonderd
reden af en aan per fiets of kwamen te voet uit het dorp.
Hoewel Ede
en zijn omliggende plaatsjes aanvankelijk een redelijk areaal
voor het te betrekken personeel bood, was de gemeente niet
opgewassen tegen de enorme vraag naar vrouwelijk personeel die
in de loop der ontwikkelingsjaren ontstond. Dit vrouwelijk
personeel werd uit gans Gelderland en een deel van Utrecht
aangetrokken.

Volksspelen
Koninginnedag 1926. Midden: mevrouw Hartogs en mevrouw Plantenga.
De meisjes
kwamen zelfs uit Bunschoten en Spakenburg en vormden met hun
kleurrijke klederdracht een heel aparte noot in het
fabrieksleven. Dit personeel moest elke dag aan- en afgevoerd
worden. Zo kreeg de fabriek een eigen perron, waarlangs de
treinen konden "aanleggen" om de meisjes in de richting
Wageningen, Utrecht of Arnhem te vervoeren. Maar deze treinen
waren volstrekt niet voldoende om dit transport volledig uit te
voeren. Vijftig auto's waren dagelijks nodig om het vervoer
sluitend te houden. Dit vervoersprobleem leidde tot de
oprichting van de N. V. E.V.A., een aparte maatschappij tot
exploitatie van autobussen. Zo'n vervoer eist n.l. een enorme
inspanning. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe de
organisatie van dit dagelijks weerkerend reuzentransport
marcheerde, maar wij krijgen een indruk van dit reusachtige werk
als wij vernemen dat er destijds richtingaanwijzers nodig waren
om de meisjes (en vooral de nieuwe krachten) wegwijs te maken
naar de treinen en de autobussen. De adjunct-stationschef van
Ede zou er nog van kunnen vertellen hoe het spreekkoor van een
trein vol meisjes hem begroette op het moment dat hij zijn
pollepel hief en het vertreksein gaf. Tegen dat ogenblik juichte
de ganse schare: "Hoe groot is ons cheffie ?" En als dan de
lepel de hoogte in ging joelde de massa: "Zóóó groot!"
De
behoefte aan vrouwelijk personeel leidde er ook toe dat er in
het Parkhotel in het Oranjepark van Ede een eigen internaat werd
ingericht, waar een vijftigtal meisjes uit Drenthe werd
ondergebracht. De Drentse meisjes konden kennelijk niet
gemakkelijk aarden in het Gelderse, want na een poosje keerden
ze weer terug naar het "Olde land". Daarop volgde de komst van
een aantal, meisjes uit Limburg, die onder hoede stonden van
enkele kloosterzusters. Zijn wij goed ingelicht dan zijn deze
kloosterzusters, na opheffing van dit internaat, in Ede gebleven
en werkzaam bij het onderwijs.
Het
Parkhotel bracht nog een andere complicatie met zich mee. Het
bezat namelijk een drankvergunning. Indien er echter in één jaar
van deze vergunning geen gebruik werd gemaakt dan verviel zij.
Het was dus een noodzakelijkheid eens per jaar drank te
schenken. De heer Van de Brink, chefboekhouder van TE in die
dagen, nodigde dan de vermaarde veldwachter van Ede, eveneens
een heer Van de Brink, uit een borrel te komen drinken, opdat
aan de eis van de wet zou worden voldaan.
In 1927
werd de 100.000 kilo viscose bereikt. Een gebeurtenis die men
rustig tot een der mijlpalen kan rekenen, waarmede de
geschiedenis van de fabriek te Ede wordt gemarkeerd. Wie nu
meent dat alle wegen over rozen zijn gegaan, die vergist zich.
Behalve de voortdurende zorg voor de kwaliteit van het produkt,
de zorg voor het op peil houden van het personeel, de zorg voor
de afvoer van het afvalwater, deden zich ongelukken voor die de
gemoederen in den lande schokten. Op 7 augustus 1925 ontplofte
een zuurstof- cilinder in de fabriek, waarbij drie doden vielen
en dertig man werd gewond. Er zijn van de herstelden nog steeds
in dienst van TE, helaas, niet zonder de merktekens van hun
destijds opgelopen verwondingen. Bij dit ongeval traden voor het
eerst de E.H.B.O.'ers op die toen een opleiding achter de rug
hadden. Onder hen bevond zich de heer Tesselhoff, die thans
bedrijfsleider is en in mei a.s. zijn 40-jarig bedrijfsjubileum
viert. In tegenstelling met het veertigjarig bestaan van de
fabriek zal dit mannelijk jubileum niet onopgemerkt voorbijgaan.
Op 7 mei 1926 geschiedde een tram botsing op de lijn naar
Wageningen, waarbij een fabrieksmeisje om het leven kwam.
Gelukkig is het bij deze tragische gebeurtenissen gebleven tot
de oorlogsjaren. In september 1944 ontkwam ook Ede niet aan een
bombardement tijdens de slag om Arnhem. Honderd bommen troffen
de fabriek en deze aanval eiste levens. De oorlogsgeschiedenis
van de fabriek is echter een hoofdstuk apart. Wij komen daar nog
even op terug.
Een
belangrijke maatregel die reeds dateert uit de tijd van de bouw
van de fabriek (3 september 1919) was de oprichting van de
woningbouwvereniging "Vooruit". De directie had toen reeds
begrepen dat de beschikbare woningen in Ede niet voldoende waren
om de komst van vele fabrieksmensen op te vangen.
Voordat de
fabriek in bedrijf kwam waren reeds twee woningcomplexen
gebouwd. Eén van 180 en één van 120 woningen. In 1928 kreeg
"Vooruit" een speeltuinvereniging. De buurtbewoners hadden
kindertjes gekregen en deze kindertjes hadden een speeltuin
nodig. Het is wel aardig vast te stellen dat de bouwmeester van
deze beide woningcomplexen de latere hoogleraar aan de
hogeschool in Delft was, nl. Prof. Eschauzier, de tweede leider
van de z.g. "Delftse School". De geschiedenis van TE kent vele
merkwaardige momenten die het memoreren bij het veertigjarig
bestaan waard zijn.
Een
belangrijk moment van betekenis is de verplaatsing van de
exportafdeling annex sorteerderij naar Rotterdam Hillegersberg);
de cone begon zijn glorieuze entree; de strengen bleek werd
afgeschaft. In 1931 werd deze Rotterdamse onderneming opgeheven
en de betrokken afdeling in Arnhem gecentraliseerd. De
oorlogsgeschiedenis van TE krijgt een somber aspect als wij 17
sept. 1944 in de herinnering terug roepen. Wij schreven reeds
dat de fabriek 100 voltreffers kreeg en zwaar werd beschadigd.
Hierbij kwam één personeelslid om het leven. In het geheel
sneuvelden elf anderen door oorlogshandelingen. Gelukkig waren
de bedrijven niet leeggeroofd, zodat het na-oorlogsherstel snel
kon geschieden. Sneller dan in Arnhem. Op 6 september 1945 ging
de fabriek wederom in bedrijf. Er is nog een merkwaardige
periode aan te wijzen in de oorlogsgeschiedenis van TE, nl. de
installatie van de melkwolfabriek. Een spinbaar garen te
produceren uit caseïne behoorde reeds lang tot de verworvenheden
van de wetenschap. Onze onderneming echter heeft er nooit haar
hart aan verpand, omdat zij niet geloofde in een houdbaar
kwaliteitsprodukt. Onder invloed van de oorlogsomstandigheden en
de schaarste aan cellulose is de caseïne als grondstof aanvaard.
Na een jaar moest de produktie worden stopgezet, omdat de
caseïne in de levensmiddelenvoorziening een belangrijke plaats
ging innemen. Maar zijn wij goed ingelicht dan is men nimmer
verrukt geweest van het produkt. Ir. Lely vertelde ons eens hoe
hij met een melkwolpak op het balkon van een tram met zijn rug
tegen de zijkant stond. De tram schudde nogal en het melkwol pak
van ir. Lely werd door dit schudden lichtelijk tegen de wand
gewreven. Wie beschrijft z'n ontsteltenis toen hij bij het
uitstappen ontdekte dat de rug uit zijn pak was verdwenen. De
slijtvastheid van melkwol bleek bijzonder laag te liggen. TE is
toen vast opgelucht geweest dat zij de melkwolfabricage aan de
kant kon zetten.
In 1946
heeft TE een 1.000.000 kilo rayon geproduceerd en dit feit was
een plezierige aanloop voor de viering van het zilveren jubileum
in 1947. Dit jubileum werd tevens gekenmerkt door het in bedrijf
nemen van de viscosesponzenfabriek. De na-oorlogse jaren brengen
ook voor Ede een grote vlucht. Het rayonbedrijf dat met zijn
continumachines tussen 1949 en 1952 werd ontwikkeld, getuigt
daarvan. Maar ook van de vernieuwingen bij de meer huiselijke
instellingen getuigen de na-oorlogse jaren. Wij denken hierbij
aan de nieuwe verbandkamer in 1948 en aan de nieuwe kantines in
1951.
Zo naderen
wij met vaste schreden het jubileumjaar van vandaag. Natuurlijk
hebben zich in de laatste tien jaren voortgaande vernieuwingen
en voortgaande ontwikkelingen ook in TE gemanifesteerd.
De meisjes
uit het verleden zijn allang over ons vaderland verspreid. In
hun plaats namen de machines de taken over en het aantal
medewerkers van nu beloopt nog niet de helft van het maximum
aantal uit 1927.
Maar wij
zouden te kort doen aan de herinnering als wij de gedachte niet
zouden richten naar gebeurtenissen die op alle Edenaren uit die
tijd een diepe indruk hebben achtergelaten. Het waren de
kinderfeesten of beter de feesten voor kinderen waarin dr. en
mevrouw Hartogs niet alleen de leiding namen, maar ook de
hoofdrol vertolkten.
Met dit
laatste herinneringsbeeld is het goed dit overzicht van 40 jaar
TE te besluiten.
Eerste
drenking chemisch bedrijf na de oorlog (19 sept.
1945). Brand! Maar ’t was gauw geblust (13 april
1949)

|